Spiegelpaleis

Je moet wel even doorzetten, als je de klassieker Onzichtbare man van Ralph Ellison wilt lezen. Maar het is de moeite waard. Het zet je aan het denken over discriminatie en gezien willen worden.

Het verhaal gaat over de volwassenwording van een jongeman, geboren in het Zuiden van Amerika, in de jaren veertig (het boek kwam uit in 1952), als de rassenongelijkheid nog in segregatiewetten is vastgelegd, met alle pijn en onrechtvaardigheid vandien.

Vooral tijdens het lezen van het eerste deel van het boek had ik wel wat afhaakmomenten. De vernederingen en het onrecht waar de (naamloze) hoofdpersoon het slachtoffer van wordt, zijn niet alleen heftig en wreed, maar Ellison beschrijft ze op een groteske manier, bijna karikaturaal. Daarmee sluit hij mij, als empathische lezer, buiten, ik kán niet meeleven omdat het te bizar is, maar ik ben er wel door geschokt.    

De hoofdpersoon probeert zo goed mogelijk te doen wat hij denkt dat de blanken van hem verwachten. Niet luidruchtig zijn, niet trots of brutaal zijn, geen lichaamsgeur hebben, kortom, geen eigenheid hebben. Hij komt een heel eind met dat gedrag, het lukt hem om een universitaire studie te doen aan een speciale “negeruniversiteit”, en voelt zich voor het eerst van zijn leven ergens thuis. Maar het geluk duurt niet lang, hij wordt ook daar heel onrechtvaardig behandeld wordt en zelfs, tot zijn verbittering, weggestuurd.

In het tweede deel van het boek verandert de toon. De hoofdpersoon gaat naar New York, waar de mogelijkheden gunstiger lijken te zijn- in elk geval is de sfeer daar vrijer, de verhoudingen zijn niet meer zo feodaaal als op het Zuidelijke platteland. Als hij toevallig getuige is bij een huisuitzetting in Harlem, waar de schamele bezittingen van twee oude mensen op straat gezet worden, breekt er iets in hem los. Zomaar, uit het niets, houdt hij een vlammend betoog tegen het onrecht dat zich hier voltrekt. Wat hebben deze mensen in een leven lang hard werken bij elkaar geschraapt? En zelfs dat is hen niet gegund. Zijn woorden bewegen de omstanders tot opstand. Ze jagen de deurwaarders weg en sjouwen de bezittingen van de oudjes weer naar boven. Dit redenaarstalent, waarmee hij  de woede van de massa weet te wekken en tot verzet weet te inspireren, wordt opgemerkt door een partijbons van de communistische partij die hem ronselt voor een positie in de organisatie. Hij wordt “politiek heropgevoed” en weet zich eindelijk gezien, zijn leven heeft een bestemming gekregen, hij verbindt zich aan de strijd tegen het onrecht dat de zwarten wordt aangedaan. Als uiteindelijk blijkt, dat hij door zijn kameraden slechts wordt gebruikt voor politieke agitatie, zonder dat zij zich daadwerkelijk het lot van “zijn volk” aantrekken, trekt hij zich verbitterd terug uit de wereld.

Aan het eind van het boek spreekt hij toch de hoop uit dat er ook voor een onzichtbare man een verantwoordelijke rol in de maatschappij is weggelegd. En hij eindigt met de woorden: wie weet of ik ook niet voor u spreek?

De hoofdpersoon uit dit boek wil gezien worden als een gelijkwaardig mens met dezelfde rechte en plichten en mogelijkheden als zijn mede-Amerikanen.

Mensen met een van de doorsnee afwijkende beleving van seksualiteit of gender, willen ook de erkenning dat zij een “normaal” mens zijn.

En als je dit verhaal naast de moeite die veel mensen doen om gezien te worden, op  Facebook en via andere sociale media laten zij zien wie ze zijn, wat voor leven zij leiden, wat zij van de dingen vinden, dan kun je alleen maar Ja zeggen op die vraag. Wie weet of ik ook niet voor u spreek.

Het roept bij mij wel de vraag op: willen mensen ook wérkelijk gezien worden? Voor wie ze zijn, open, overgelaten aan de blik van de ander, zonder controle uit te oefenen met woorden of ander beïnvloedingsgedrag? Ik moet denken aan de performance van Abramovic in het New Yorkse Moma, Presence, waarbij de kunstenares aan tafel zit, alleen maar zit. Mensen mogen tegenover haar plaatsnemen en haar aankijken. Aanwezig zijn, in contact. Regelmatig gebeurde het dat daarbij iemand in tranen uitbarstte. Zozeer kan het raken om gezien te worden. Zonder woorden, zonder ook maar iets va elkaar te weten. Dat is gezien worden, op een heel directe manier, zonder controle.

Wat wij doorsnee onder  gezien worden verstaan, is veeleer een vraag naar erkenning, naar bevestiging in ons zelfbeeld.

De ander, die jou waarneemt, kijkt meestal door een bril die gekleurd, en vermoedelijk voor een groot deel dichtgeverfd is, vanwege alle vooroordelen, projecties, eigen verlangens en behoeften en ervaringen uit het verleden.

En helaas, daar is weinig aan te doen. Die vooroordelen, hoe akelig en vooringenomen ook, maken het toch makkelijker voor ons om te functioneren. Het is een efficiency maatregel van het brein. Het vereenvoudigt de zaak aanzienlijk als je weet wat de kledingcode van bepaalde groepen is, om iemand te kunnen plaatsen. Op basis van de geschatte leeftijd van degene tegenover je, pas je je gedrag aan, net als op basis van sekse. Het gaat allemaal automatisch. Het gebeurt allemaal onbewust. En af en toe worden we opgeschud door groepen mensen die niet meer in die automatismen gevangen willen zitten en dan passen we , op een bewuste en af en toe wat moeizame manier ons gedrag aan.

Want uiteindelijk is het doel dat we elkaar het respect geven waar we allemaal recht op hebben.

Ik dacht dat ik je kende

Maar ik kende slechts mezelf

De jij die je echt bent

ís niet de jij die ik zie

mijn geest vormde jouw beeld

maar jij reisde verder

ik wik wil alleen jou zien

maar ik zie je door mij

Lao Tze

Plaats een reactie