Ontmoetingen (2)

Het was zo’n stille, grijze februaridag. Een dag waarop je iets moet doen, anders wordt het niks. Dus besloot ik om eindelijk afscheid te nemen van mijn laatste stapeltje studieboeken. Op weg naar de altijd gezellige kringloopwinkel op de Wittenkade, de tas met het verleden aan mijn stuur bengelend, realiseerde ik me dat ze al zo’n vijftig jaar oud waren. Maar, sommige kennis veroudert niet, hield ik mezelf voor. Misschien is er toch iemand die hier gelukkig van wordt.

De mevrouw die mijn boeken aanpakte stelde voorzichtig voor, dat zij ze voor me in de papierbak zou doen.  “Nee,” riep ik verschrikt uit en rukte haar nog net niet de tas weer uit handen. “Geen boeken in de papierbak!” “Ik kan ze ook voor u in de boekenkasten zetten, op het Van Limburg Stirumplein, bij de Droppie. Daar plaatsen we onze onverkoopbare boeken meestal.“ “Dat doe ik dan zelf wel even,” zei ik. De Droppie. Laatst was ik een buurvrouw tegengekomen met een grote zak plastic onder haar arm. “Het is een recyclepunt, waar je van alles kunt inleveren,” had ze verteld, “plastic, blikjes, computersnoeren, batterijen, noem maar op.”  Dit was een goede gelegenheid om daar meteen eens een kijkje te nemen.

Voor de deur stonden inderdaad een paar stevige boekenkasten waar ik met een laatste zorgvuldig gebaar mijn boeken op een plank zette. Netjes rechtop. Daarna keek ik even de rijen langs op zoek naar iets van mijn gading en ja: “Een Maigret!”  Sinds ik een paar jaar geleden weer eens een boekje van Simenon opensloeg, ben ik eraan verslingerd. Het Frankrijk van de eerste helft vorige eeuw, en dan vooral Parijs. De rustige toon van de vertelling, de beschrijving van de landschappen, het weer, het overmatige drank- en tabaksgebruik,  de armoede en de rijkdom, de psychologie van de karakters. Eigenlijk is het misdaadplot daar volkomen aan ondergeschikt.  Ik pakte het boekje, Maigret en het lijk zonder hoofd met een zachte vreugdekreet uit de kast en de goed gesoigneerde heer met hoed naast mij, keek op.

“Een Simenon,” legde ik uit, “heerlijke boekjes, leest u ze ook wel eens?” “Jawel, maar ik hou zelf meer van Havank,” zei hij, “die kent u vast ook wel, met zo’n gestileerd mannetje op de omslag.” “Ja, wat zijn ze mooi hé, die oude Zwarte Beertjes.”  “Met de ontwerpen van Dick Bruna,” vulde hij aan. “Ik weet niet of u haast heeft?” vroeg hij. “Nee hoor, ik heb de tijd.” “Ik woon hier namelijk vlakbij, misschien heb ik er nog wel een paar liggen.” “O echt? Dat zou geweldig zijn!”

Terwijl ik op hem wachtte bestudeerde ik het komen en gaan bij de Droppie. Het was er druk. De mensen stonden zelfs in de rij om hun spullen in te leveren. Ook dat was vrolijk makend op deze slome februarimiddag. En daar kwam mijn weldoener al weer aan en overhandigde mij twee Maigrets. “Super dank u wel!” Ik gaf hem mijn breedste glimlach. Hoe noemden Van Kooten en De Bie het ook al weer? Kicks voor niks?

En toen ik een paar weken later nog eens in de buurt was en even in de kasten keek, zag ik dat mijn studieboeken weg waren. Ergens zit iemand te lezen in De psychologie van het leren. Een mooi idee.  

Helen (4)

Twee totaal verschillende beelden. Op het schilderij van Anne van As, Savage, lijkt de kleur weggetrokken te zijn. De stekelige distels zijn verijsd, bevroren in een donkere nacht, verstild. (Google voor een beter beeld even op op haar naam!)

Het andere beeld, een foto van Ron Entius, getiteld Voorjaar, is aards en levendig. Een blauwe lucht, witte wolken, een wollig schaap, een lam rust veilig bij de moeder.

Deze kaarten pakte ik intuïtief om te versturen aan iemand die me vroeg hoe het met me gaat in deze periode, een jaar na de dood van R.  Het is een rare tijd, schrijf ik haar, letterlijk tussen winter en lente in. Soms val ik helemaal stil. Wil ik niet meer. Ben ik alleen maar vreselijk verdrietig. Weet ik niet hoe ik verder moet. Soms ben ik boos en in de weerstand om wat ik allemaal heb verloren. Dan wil ik alleen maar terug in de tijd, terug naar R.

Tegelijk zit ik in een periode waarin er van alles opkomt aan fijne dingen. Nu ik eindelijk eens uit de medische molen ben en weer energie heb, ga ik er op uit. Naar tentoonstellingen, concerten, weer naar de boekenclub, weer buiten sporten. Er gebeuren ook nieuwe dingen, een keer meedoen met een pub quiz, stukjes schrijven voor de nieuwsbrief van het stadsdorp, een voorleesavond met de Aardige mannen.  Ik doe een superinteressante HOVO cursus over de situatie in Amerika, en plan kleine vakanties.  Ik geniet ervan. Ik word er vrolijk van en energiek.

Rouw voltrekt zich autonoom. Steeds weer word je als door een elastiek teruggetrokken naar het verlies. Naar het grote, grote verlies. Ik bevind me afwisselend in één van de domeinen, die van de de rouw en die van het nieuwe, en eigenlijk is dat vreselijk vermoeiend. Die twee levensgevoelens lijken elkaar uit te sluiten. Als ik in de rouw ben wil ik niet vooruit bewegen, dan wil ik terug in de tijd, naar R. Als ik me verheug op een vakantie wil ik niet voelen dat het zonder R. is. Tot ik deze twee kaarten voor me zag en besefte dat het er allebei is. Het is niet of het één of het ander. Beide werelden zijn in mij aanwezig. Het is prettig om er zo naar te kunnen kijken. Ik besef daardoor dat helen in deze fase betekent om verbinding te zoeken tussen die twee toestanden. Maar dat betekent ook, accepteren dat niets onaangetast blijft, dat alles altijd verandert. En dat is tegelijkertijd heel verdrietig én heel hoopgevend. De opgave is om met geduld en mededogen te kijken naar wat er in me is. Dat verdragen. En intussen die kleine bolletjes die hun groene kopjes opsteken, niet vertrappen.

Ontmoetingen (1)

Op het Centraal Station stapten ze de bus in, drie wat oudere mannen met rood-witte Ajax sjaals om. Ze schoven bij me aan op het bejaardenbankje.

“Spannende wedstrijd, heren?” vroeg ik. Nou nee dus. De F-side was zo tekeer gegaan met vuurwerk, dat de wedstrijd na drie kwartier schorsing werd afgelast. Zwaar balen dus. Ze lieten beelden zien op hun telefoons: jongens in het zwart met bivakmutsen op, een soort vuurwerkstenguns onder de arm, dikke rode mist over het veld. Behoorlijk verontrustend. Maar dit waren geen doorsnee mopperende Amsterdammers, bleek al gauw.

Lees verder

Nieuw jaar

Het nieuwe jaar is in zwart-wit begonnen dacht ik toen ik de witte belijning van de sneeuw zag op de donkere boomtakken in het park.

De VS heeft de regeringsleider van een naburig land gekidnapt om vrijuit de olie in dat land te kunnen exploiteren. Nog los van wat deze overval voor het land zelf betekent, houd ik mijn hart vast voor wat andere grootmachten zich nu denken te kunnen permitteren. Een uitbreiding van de oorlog door de Russen in Oekraïne met nog forsere middelen? De annexatie van Taiwan door China? Trump geeft het voorbeeld: een grootmacht kan zonder consequenties een buurland als zijn invloedssfeer benoemen en daar zijn wil aan opleggen. Een grootmacht kan onder het motto: Mijn land eerst! internationale wetten met voeten treden en een soevereine regering omver werpen. Een land dwingen om zijn grondstoffen te laten oppompen door de machtige olie-industrie van de VS. Zo ziet het er uit op dit moment. Is de volgende stap Cuba? Groenland?

Lees verder

Daar doe je het voor

Beschermengel Juke Hudig

Terwijl ik vanmorgen onder de douche het warme water door mijn haren liet spoelen, dacht ik aan IC verpleegkundige Ellen uit Spijkerboor. Een oudere vrouw, die elke ochtend voor dag en dauw op de scooter uit de Zaanstreek naar het ziekenhuis reed. Niet zo praterig als de jongere collega’s, maar ze had wel altijd, als ze langs mijn bed kwam, een ijsblokje voor me. En ijsblokjes, daar deed ik, met mijn voortdurende dorst, een moord voor.

Lees verder

Helen (3)

En ineens is er iets veranderd. Is er een andere fase aangebroken.

Tot ongeveer een maand geleden gedroeg het verdriet om het verlies van R. zich als iets volstrekt autonooms. Over alles heen, buiten alles om, was het daar. Het overrompelde me, dompelde me onder, nam me helemaal over. Het ging zo snel dat een verband met gebeurtenissen, gedachten of gevoelens me ontging. Het was pure, wezenlijke smart. Ik zou op die momenten kunnen weeklagen, as over mijn hoofd willen strooien, me in het diepste zwart willen hullen. Geen verdriet om mijzelf of mijn lot. Geen woorden, gedachten, beelden van R., geen beelden van het allene leven dat voor mij lag, niets daarvan. Verdriet, dat ik alleen maar kon laten. En daarna schakelde ik weer over op handelen, op doen. Tussen het handelen en het verdriet lag niets, daar was het gapende gat van R.’s afwezigheid.

Lees verder

Helen (2)

Onlangs zag ik de documentaire Blijven ademen, over een jonge man en zijn herstel na een IC opname. Hij was me meteen sympathiek, met zijn glanzend zwarte haar en sprekende bruine ogen. Na een ernstige hersenvliesontsteking was hij in coma gebracht. In die periode had hij heldere, indringende beelden gezien. En nu hij fysiek weer was hersteld zocht hij de verbinding terug. Met zichzelf, de mensen om zich heen en het gewone leven.De documentaire kwam voor mij op een goed moment, het was precies twee jaar geleden dat ik zelf in coma was gebracht.

Lees verder

En verder

1.

Vandaag ben ik bij de pakken neer gaan zitten. Misschien kwam het door de meditatie die ik vanmorgen heb beluisterd. De tekst ingesproken door Edel Maex, de titel “Ben je er nog?”.  Altijd een goede vraag, die we elkaar en onszelf vaker zouden moeten stellen. Vooral degenen onder ons die veel in de eigen gedachtenwolken rondzwerven. Ja, ik ben er nog, of weer, en vind mezelf zittend bij de pakken.

In mijn coachingspraktijk sprak ik vaak mensen die in een pijnlijke overgangsfase zaten en gebruikte dan de metafoor van een trein die een groot station verlaat. Jij bevindt je in zo’n trein, die wordt heen en weer geschud als de wielen knarsend en krijsend over de wissels rijden naar alle richtingen die níet ingeslagen worden, totdat het juiste spoor is gevonden. Je kunt even niets anders doen dan dit verdragen en afwachten.

Ben ik er nog? En waar ben ik dan nog? Wat is er van mijn leven over gebleven? De behoefte aan  houvast, de boosheid, de rouw, druk ik onbedoeld naar de achtergrond, terwijl ik plichtsgetrouw voort worstel met asbestemming, notarisaktes, digitaal geklungel, het plannen en weer afzeggen van fijne uitjes en pogingen om verantwoord te eten en te bewegen.

En dan komt er het moment dat ik bij de pakken neerzit. Zonder er nog een centimeter aan te verplaatsen, zonder er een blik op te werpen. Want mijn ogen zijn gesloten en de tranen krijgen de vrije loop. En dan is er eindelijk de rust en de verzoening van het verdriet, de boosheid. Van het loslaten, van het laten zijn. En dan is het goed.

2.

In het park bij een kleine waterval. Ik ben verward. Ik heb geen houvast meer. Wie ben ik nu?

“Kijk eens naar het water,” zegt de ander. “Ja, ja,” zeg ik ongeduldig, “ik moet loslaten, meebewegen, ja hoor.” “Kijk nou eens echt,” zegt de ander. “Zie je de beweging van het water. Het verandert voortdurend. Net als het leven, net als wij. We veranderen, jij ook. Zeker als je net je partner bent verloren.”

3.

“Waar gaat dit allemaal over?” roep ik uit.

“Over hoe je verder wilt gaan met je leven.” zegt de ander.

O ja. Dat is het. Mijn leven. Dat ik twee keer bijna verloren ben. Maar dat er nog is. Dat ik, er flitst een beeld door me heen: voorzichtig als een kostbaar ei in mijn handen houd. En hoe ik daar verder mee wil.

Datagestuurd

foto in de Telegraaf van vandaag

Sinds een paar jaar gebruik ik de website Goodreads om bij te houden wat ik heb gelezen en kort te noteren wat ik van het boek vond. Dat is handig en je weet ook meteen hoeveel boeken je hebt gelezen. Tot ik ontdekte dat de boekenteller gewoon doortelt als het jaar om is, zodat je niet weet hoeveel je in een bepaald jaar leest. Iemand wees me erop dat je ook een “challenge” kunt doen, jezelf een doel stellen om een bepaalde hoeveelheid boeken te lezen in een jaar. Dan wordt wél per jaar bijgehouden hoeveel je leest. O.k. Ik heb nu voor 2025 een doel van 75 boeken ingesteld. En wat gebeurt er? Bij elk boek dat ik uit heb, krijg ik een melding of ik voorloop of achter ben ten opzichte van het gestelde doel. En nu betrap ik mezelf erop dat ik soms liever een dun boekje wil kiezen dan een dik, zodat ik niet ga achterlopen. Bizar natuurlijk. Ik hou van lezen. Maar nu ik het bijhoud op een website laat ik, als ik niet oppas, mijn boekenkeuze beïnvloeden door de cijfertjes. De omgekeerde wereld.

Lees verder

Job

Nadat ik de septische shock had overleefd en flink op weg was met revalideren en toen de diagnose darmkanker kreeg, heb ik me wel eens afgevraagd of ik iets had gedaan om de goden te vertoornen. Wilde het leven me een les leren? En zo ja, welke dan? En natuurlijk schoot me het verhaal van Job te binnen. De man aan wiens ongeluk een heel Bijbelboek is gewijd. Ik herinnerde me uit mijn gereformeerde verleden (bij ons thuis werd vroeger elke dag na het eten uit de Bijbel voorgelezen) dat Job na veel ellende op de mestvaalt eindigde, zijn lichaam overdekt met zweren. Een beeld dat diepe indruk op mijn kinderziel maakte. Vooral vanwege de combinatie van die woorden: zweren en mestvaalt. Wat deed hij daar? Moest hij niet naar de dokter? Moest hij geen werk zoeken? Nee, hij richtte zich tot God en weeklaagde over zijn lot. So far so good. Nu staat de Bijbel vol met verhalen waarin en waarvan mensen iets moeten leren, dus wat is de boodschap van het boek Job?

Via Google kwam ik uit op de Statenvertaling, uit 1886, met veel woorden als eeniegelijk, aangezicht en dezulke, die me verrassend bekend voor kwamen. Het deed me denken aan een prachtig beeld uit een boek van Jan Wolkers. Ik denk dat het Terug naar Oegstgeest is. De ik-persoon in die scene is een peuter, die vastgebonden zit in een kinderstoel. Voor hem ligt een reusachtige Bijbel en elke dag wordt er een bladzijde omgeslagen. Dat is het. Die vliesdunne dikbedrukte bladzijden, vol met de  beklemming én de betovering van de Bijbelverhalen. Geschreven in de tale Kanaäns.

Lees verder