
Nadat ik de septische shock had overleefd en flink op weg was met revalideren en toen de diagnose darmkanker kreeg, heb ik me wel eens afgevraagd of ik iets had gedaan om de goden te vertoornen. Wilde het leven me een les leren? En zo ja, welke dan? En natuurlijk schoot me het verhaal van Job te binnen. De man aan wiens ongeluk een heel Bijbelboek is gewijd. Ik herinnerde me uit mijn gereformeerde verleden (bij ons thuis werd vroeger elke dag na het eten uit de Bijbel voorgelezen) dat Job na veel ellende op de mestvaalt eindigde, zijn lichaam overdekt met zweren. Een beeld dat diepe indruk op mijn kinderziel maakte. Vooral vanwege de combinatie van die woorden: zweren en mestvaalt. Wat deed hij daar? Moest hij niet naar de dokter? Moest hij geen werk zoeken? Nee, hij richtte zich tot God en weeklaagde over zijn lot. So far so good. Nu staat de Bijbel vol met verhalen waarin en waarvan mensen iets moeten leren, dus wat is de boodschap van het boek Job?
Via Google kwam ik uit op de Statenvertaling, uit 1886, met veel woorden als eeniegelijk, aangezicht en dezulke, die me verrassend bekend voor kwamen. Het deed me denken aan een prachtig beeld uit een boek van Jan Wolkers. Ik denk dat het Terug naar Oegstgeest is. De ik-persoon in die scene is een peuter, die vastgebonden zit in een kinderstoel. Voor hem ligt een reusachtige Bijbel en elke dag wordt er een bladzijde omgeslagen. Dat is het. Die vliesdunne dikbedrukte bladzijden, vol met de beklemming én de betovering van de Bijbelverhalen. Geschreven in de tale Kanaäns.
Lees verder








