
En ineens is er iets veranderd. Is er een andere fase aangebroken.
Tot ongeveer een maand geleden gedroeg het verdriet om het verlies van R. zich als iets volstrekt autonooms. Over alles heen, buiten alles om, was het daar. Het overrompelde me, dompelde me onder, nam me helemaal over. Het ging zo snel dat een verband met gebeurtenissen, gedachten of gevoelens me ontging. Het was pure, wezenlijke smart. Ik zou op die momenten kunnen weeklagen, as over mijn hoofd willen strooien, me in het diepste zwart willen hullen. Geen verdriet om mijzelf of mijn lot. Geen woorden, gedachten, beelden van R., geen beelden van het allene leven dat voor mij lag, niets daarvan. Verdriet, dat ik alleen maar kon laten. En daarna schakelde ik weer over op handelen, op doen. Tussen het handelen en het verdriet lag niets, daar was het gapende gat van R.’s afwezigheid.
Maar er is iets veranderd. Ineens voelde ik een ontspanning. Uit het niets. Ruimte. Blijkbaar zijn er onzichtbare draden gespannen, nieuwe verbindingen gelegd. Ik kan weer van R. dromen, ik zie hem fietsen op straat. Hij kan er weer zijn zonder dat ik instinctief terugdeins van de scherpte van het verlies. Iets in mij heeft dat gedaan, heeft geheeld, zoals iets een wondje op je vinger heelt. En toen dacht ik ineens op een ochtend: Ik zou best weer een fijn leven kunnen hebben. En toen dacht ik: ik héb een fijn leven.
Zoals een klimop zich met piepkleine grijpworteltjes vastklampt aan een muur om tegenop te klimmen, hebben piepkleine grijpvingertjes in mij zich vastgehaakt aan het leven. Door te doen. Of te laten ook. Maar vooral door te doen. Weer in een herfstbos lopen, naar de leesclub gaan, afspreken met mijn lieve petekinderen, een dagje shoppen, door boeken te kopen, en te lezen, naar een concert te gaan, spontaan bij iemand koffie te drinken. Natuurlijk zijn er ook afbrekende kiezen en onwennige hoortoestellen en griepjes. Maar dat kan ik hebben. Het is mijn gewone leven. Tussendoor fiets ik van hot naar her en voel als vanouds de kracht van mijn spieren, de behendigheid van het laveren in het drukke Amsterdamse verkeer, het is de vitaliteit van mijn lichaam, die de vitaliteit van mijn leven is.
Als er nu verdriet is, is heeft het een menselijke maat. Het is een verdriet dat verbonden is met ervaringen, met concreet gemis. Dat die verbanden in mij weer ontstaan, voelt als weer heel worden. De leegte die het verlies van R. achterliet lijkt heel langzaam te veranderen in levensruimte. Tijdens een mooi concert hoor ik hem ineens in mij zeggen: “Wat een feest!” zoals hij dat alleen zeggen kon. En als ik bij thuiskomst mijn verwaaide krullen in de spiegel zie, zegt hij over mijn schouder: “Vrolijke kop!”
Het is een wonder.