Overtocht

Sinds een half jaar schrijf ik een column in de nieuwsbrief van het Stadsdorp Westerpark. Over de buurt, over ontmoetingen. Hier is het stukje van juli.

Terwijl ik sta te wachten op de pont hoor ik ineens een stem naast me:  
“Ik heb het een half jaar geprobeerd en nu zit ik er echt helemaal doorheen!”
Een arbeidsconflict, flitst er door me heen en ik draai mijn hoofd om. Daar staat een vrouw, leunend op de stuur van haar fiets, de teennagels staan op oranje, de vingernagels op gifgroen en de haarwaterval op hysterie. Ik kijk snel weg.
“En dan zeggen zij dat ik mijn bloedeigen familie  op straat zet!” gaat het verder. Voor mijn geestesoog zie ik een oude vrouw midden op de stoep zitten, in een versleten fauteuil, terwijl haar man achter de wegfladderende administratie aanrent die zijn dochter uit het raam kiepert.  
Ik verwijder me discreet uit de buurt van deze vrouw, maar als de pont aanlegt en we aan boord gaan, loop ik toch weer even naast haar en vang op: “Hij is écht compleet gestoord!”
Ik zoek de rust van het achterdek en zodra we varen en ik de bries vanaf het Noordzeekanaal in mijn gezicht voel, bekruipt me een innig tevreden gevoel.  Achter me het iconische gebouw van de Pontsteiger, links een aanlegplaats voor binnenvaartschepen. De wind trekt rimpelingen in het water en ik mijmer over het kinderlijke plezier dat ik aan zo’n tochtje beleef. Net als toen ik klein was, en met opa en oma vanaf dezelfde plek met de pont naar Noord voer. Zij waren ook binnenvaartschippers geweest. En een enkele keer gingen we op zondagmiddag op familiebezoek op zo’n schip. Spannend, want je moest van het ene op het andere schip overstappen en er was altijd wel een keffertje dat venijnig blaffend op je af kwam rennen. Eenmaal aan boord moesten de schoenen uit voor je de roef instapte. Maar we zijn al weer aan de overkant en er staat een nieuwe drom mensen te wachten op een tochtje over het IJ.

Op de terugweg moet ik een tijdje wachten en beide bankjes zijn bezet. Op één ervan zit een oudere man, mooie bos schouderlang grijs haar, verblindende zonnebril op het voorhoofd, dikke zilveren ringen om zijn vingers, tatoeages. Rechts van hem drie lege bierblikjes, links een gettoblaster waar kreunende hardrock uit schalt.
“Mag ik even bij u komen zitten?” vraag ik hem.
“Ja hoor, meissie,” zegt hij en begint de boel een beetje in te schikken. Op dat moment komt het andere bankje vrij en ga ik snel daar zitten.
“Bedankt voor de gastvrijheid!” roep ik nog, hij knikt terug.
Intussen groeit het groepje wachtenden alweer en een jonge vrouw met bakfiets stopt naast de oude rocker. De twee kleine meisjes in de bak zijn kunstig geschminkt, de één heeft een okergele tijgerklauw, de ander een groene krokodillenpoot. De man zegt iets bewonderends tegen hen en er ontstaat een aarzelend gesprek, waarin de moeder een duidelijk stimulerende rol vervult:  “Die meneer wil jullie een high five geven,” hoor ik haar boven een jankende gitaarsolo uitroepen. Een tijger- en een krokodillenpootje steken de lucht in, de man staat op en geeft ze een voorzichtig klapje. De moeder babbelt opgewekt met hem door en in gedachten geef ik haar een medaille voor modern Amsterdammerschap. Even later sta ik opnieuw als enige op het achterdek. Ik laat me wiegen op de kabbelende golfjes en denk nogmaals aan opa en oma. Hoe we met de pont overvoeren naar “de overkant van het IJ”. Het was een uitje, maar wel uitje naar niks, want er waren alleen loodsen en dokken. Maar ik vond het geweldig, want het varen was heerlijk.  Net als nu. Misschien heb ik toch een paar druppels schippersbloed in mijn Amsterdamse aderen?   

Ontmoetingen (2)

Het was zo’n stille, grijze februaridag. Een dag waarop je iets moet doen, anders wordt het niks. Dus besloot ik om eindelijk afscheid te nemen van mijn laatste stapeltje studieboeken. Op weg naar de altijd gezellige kringloopwinkel op de Wittenkade, de tas met het verleden aan mijn stuur bengelend, realiseerde ik me dat ze al zo’n vijftig jaar oud waren. Maar, sommige kennis veroudert niet, hield ik mezelf voor. Misschien is er toch iemand die hier gelukkig van wordt.

De mevrouw die mijn boeken aanpakte stelde voorzichtig voor, dat zij ze voor me in de papierbak zou doen.  “Nee,” riep ik verschrikt uit en rukte haar nog net niet de tas weer uit handen. “Geen boeken in de papierbak!” “Ik kan ze ook voor u in de boekenkasten zetten, op het Van Limburg Stirumplein, bij de Droppie. Daar plaatsen we onze onverkoopbare boeken meestal.“ “Dat doe ik dan zelf wel even,” zei ik. De Droppie. Laatst was ik een buurvrouw tegengekomen met een grote zak plastic onder haar arm. “Het is een recyclepunt, waar je van alles kunt inleveren,” had ze verteld, “plastic, blikjes, computersnoeren, batterijen, noem maar op.”  Dit was een goede gelegenheid om daar meteen eens een kijkje te nemen.

Voor de deur stonden inderdaad een paar stevige boekenkasten waar ik met een laatste zorgvuldig gebaar mijn boeken op een plank zette. Netjes rechtop. Daarna keek ik even de rijen langs op zoek naar iets van mijn gading en ja: “Een Maigret!”  Sinds ik een paar jaar geleden weer eens een boekje van Simenon opensloeg, ben ik eraan verslingerd. Het Frankrijk van de eerste helft vorige eeuw, en dan vooral Parijs. De rustige toon van de vertelling, de beschrijving van de landschappen, het weer, het overmatige drank- en tabaksgebruik,  de armoede en de rijkdom, de psychologie van de karakters. Eigenlijk is het misdaadplot daar volkomen aan ondergeschikt.  Ik pakte het boekje, Maigret en het lijk zonder hoofd met een zachte vreugdekreet uit de kast en de goed gesoigneerde heer met hoed naast mij, keek op.

“Een Simenon,” legde ik uit, “heerlijke boekjes, leest u ze ook wel eens?” “Jawel, maar ik hou zelf meer van Havank,” zei hij, “die kent u vast ook wel, met zo’n gestileerd mannetje op de omslag.” “Ja, wat zijn ze mooi hé, die oude Zwarte Beertjes.”  “Met de ontwerpen van Dick Bruna,” vulde hij aan. “Ik weet niet of u haast heeft?” vroeg hij. “Nee hoor, ik heb de tijd.” “Ik woon hier namelijk vlakbij, misschien heb ik er nog wel een paar liggen.” “O echt? Dat zou geweldig zijn!”

Terwijl ik op hem wachtte bestudeerde ik het komen en gaan bij de Droppie. Het was er druk. De mensen stonden zelfs in de rij om hun spullen in te leveren. Ook dat was vrolijk makend op deze slome februarimiddag. En daar kwam mijn weldoener al weer aan en overhandigde mij twee Maigrets. “Super dank u wel!” Ik gaf hem mijn breedste glimlach. Hoe noemden Van Kooten en De Bie het ook al weer? Kicks voor niks?

En toen ik een paar weken later nog eens in de buurt was en even in de kasten keek, zag ik dat mijn studieboeken weg waren. Ergens zit iemand te lezen in De psychologie van het leren. Een mooi idee.  

Ontmoetingen (1)

Op het Centraal Station stapten ze de bus in, drie wat oudere mannen met rood-witte Ajax sjaals om. Ze schoven bij me aan op het bejaardenbankje.

“Spannende wedstrijd, heren?” vroeg ik. Nou nee dus. De F-side was zo tekeer gegaan met vuurwerk, dat de wedstrijd na drie kwartier schorsing werd afgelast. Zwaar balen dus. Ze lieten beelden zien op hun telefoons: jongens in het zwart met bivakmutsen op, een soort vuurwerkstenguns onder de arm, dikke rode mist over het veld. Behoorlijk verontrustend. Maar dit waren geen doorsnee mopperende Amsterdammers, bleek al gauw.

Lees verder

Nieuw jaar

Het nieuwe jaar is in zwart-wit begonnen dacht ik toen ik de witte belijning van de sneeuw zag op de donkere boomtakken in het park.

De VS heeft de regeringsleider van een naburig land gekidnapt om vrijuit de olie in dat land te kunnen exploiteren. Nog los van wat deze overval voor het land zelf betekent, houd ik mijn hart vast voor wat andere grootmachten zich nu denken te kunnen permitteren. Een uitbreiding van de oorlog door de Russen in Oekraïne met nog forsere middelen? De annexatie van Taiwan door China? Trump geeft het voorbeeld: een grootmacht kan zonder consequenties een buurland als zijn invloedssfeer benoemen en daar zijn wil aan opleggen. Een grootmacht kan onder het motto: Mijn land eerst! internationale wetten met voeten treden en een soevereine regering omver werpen. Een land dwingen om zijn grondstoffen te laten oppompen door de machtige olie-industrie van de VS. Zo ziet het er uit op dit moment. Is de volgende stap Cuba? Groenland?

Lees verder