Verboden schrift van Alba de Cespedes

Alba de Cespedes, een Italiaanse, schreef Verboden schrift in 1952. De hoofdpersoon is Valeria, getrouwd en moeder van twee bijna volwassen kinderen. Op een zondagmorgen koopt ze in een impuls een mooi glanzend zwart schrift. Ze wil het gebruiken om te schrijven over haar leven. Maar zodra ze ermee thuiskomt en een plekje zoekt om het schrift op te bergen, realiseert ze zich, dat ze geen ruimte voor zichzelf heeft. Geen eigen kamer, geen bureau om aan te schrijven, geen la die afgesloten kan worden. En als haar huisgenoten zouden ontdekken dat ze een schrift heeft, zouden ze het zelf willen gebruiken, want waar heeft zij een schrift voor nodig? En een dagboek, dat zou al helemaal ondenkbaar zijn, ze heeft toch niets te verbergen?

Valeria, die zowel door haar man als kinderen mama genoemd wordt, is een vrouw zonder eigen ruimte geworden. Geen individu meer, met eigen gevoelens en gedachten, maar iemand die de voorwaarden voor anderen schept om te kunnen leven. Ook het kantoorwerk dat ze doet om het gezinsinkomen aan te vullen staat ten dienste van de anderen. Haar dochter van 19 verwijt haar die dienstbaarheid die vrouwen eigen zou zijn. Haar uitroep: “Dat wil ik niet!” bezorgt Valeria koude rillingen.

Ik moest denken aan een scene in Twee weken weg, van R.C. Sheriff. Het gezin, waar het boek om draait,  is net aangekomen in de badplaats waar ze, zoals elk jaar, hun vakantie gaan doorbrengen. Pa verwisselt zijn knellende lange broek en overhemd voor een luchtige pantalon en poloshirt (jaren 30 vorige eeuw), de kinderen trekken hun sandalen aan en verlangend naar frisse lucht en zeezicht spoedt het gezin zich naar het strand. En dan, terwijl pa de eerste paar diepe teugen gezonde zeelucht heeft ingeademd en voldaan om zich heen kijkt, ontdekt hij dat zijn vrouw niet naast hem staat. Zijn schrik slaat over op de kinderen. Na een paar minuten van paniek en ontreddering, waarin er even plek is voor schuldgevoel en spijt over de onachtzaamheid waarmee zij altijd met haar vanzelfsprekende aanwezigheid omgaan, ontdekken ze dat ma aan de overkant van de boulevard, uit de wind, op hen staat te wachten. Zij houdt niet zo van de zee.

Door een dagboek bij te houden ontstaat er een kier tussen Valeria en haar dagelijks leven, ze gaat er niet meer volledig in op. Ze wordt zich ervan bewust dat ze niet gezien wordt. En terwijl ze langzamerhand gaat zien hoe haar leven echt is, wordt ze er niet aardiger op, ze klaagt, is af en toe boosaardig, en begint een verhouding met haar werkgever. Zijn verliefdheid op haar geeft het gevoel dat er een welwillende blik op haar rust.

Door het verhaal van Valeria te lezen, kwam ik ineens dicht bij mijn eigen moeder. Ook ik was de dochter die zei: “Mam, het is niet eerlijk!” En zij was de moeder die een koude rilling over haar rug voelde bij die woorden. “Mam, het is niet eerlijk, dat ik altijd moet helpen bij huishoudelijke klusjes en de jongens niet. Het is onrechtvaardig dat ik niet dezelfde kansen krijg op onderwijs als mijn broers.”  En dat vind ik nog steeds vanuit de grond van mijn hart. Zeg niet, dat die tijden allang voorbij zijn. Want dat is niet zo. Elke orthodoxe godsdienst, elke totalitaire staat, ook anno 2023, veroordeelt vrouwen tot een leven in dienstbaarheid, ontzegt meisjes onderwijs en vrouwen zelfbeschikkingsrecht. En toch, terwijl ik dit boek las, voelde ik iets terug van wat mijn moeder teweeg bracht. De ruimte die zij niet innam, vormde het centrum van onze levens.