Suppoost (1)

 

Dit is mijn meest recente suppoostenfoto. Gemaakt in Antwerpen, in het Museum voor Hedendaagse Kunst, januari 2023. Mijn eerste suppoost, waar ik alleen een vage innerlijke foto van bewaar, werkte in het Rijksmuseum, herfst 1965.

Samen met mijn nichtje en vriendinnetje Tekla ging ik een tijdlang elke zondagmiddag naar het Rijksmuseum. We hadden museumles gehad met school en kregen na afloop een museumjeugdkaart waarmee we gratis de Amsterdamse musea konden bezoeken. Zij was dertien, ik was twaalf, en ik denk dat onze ouders het wel een verantwoorde besteding van de zondagmiddag vonden.

Na een snel, verplicht rondje langs de sombere schilderijen met in het zwart geklede mensen, stillevens en zeilschepen, en een kort bezoekje aan de poppenhuizen in de kelder, spoedden we ons naar de luchtsluis. Dat was een smalle, langwerpige ruimte, die met dubbele deuren stevig afgesloten was van de rest van het museum. Ik herinner me een paar met rood fluweel beklede bankjes en een grote glimmend stalen asbak op pootjes. Daar rookten we elk twee menthol filtersigaretten uit ons gezamenlijke pakje Mount Everest.

Terwijl we schutterig en schuldbewust onze sigaretten aanstaken, kwam hij naar ons toe. Mijn eerste suppoost. Een man van een jaar of vijvenveertig, met bril, gekleed in een donkergrijs uniform, die ons chagrijnig berispte. Hij zei waarschijnlijk iets als: “Jullie zijn nog veel te jong om te roken” of “Vinden je ouders het goed dat je rookt?”

En waarschijnlijk namen we toen nog snel een paar trekjes en maakten toen onze sigaretten uit.

De week erop waren we er weer. Hetzelfde rondje, de donkere zalen, de plechtige schilderijen, het trapje bij het poppenhuis op en af. En toen het bankje bij de asbak. Met kloppend hart gingen we zitten en pakten de sigaretten. Er was geen suppoost. We staken op. Lekker was het roken zeker niet, maar de menthol verhulde veel van de nicotine- en teersmaak. Mij ging het vooral om de uit te ademen rookpluim. Die moest mooi strak zijn. Een paar maanden eerder nog stonden we op een mistige morgen buiten, met zelf geknutselde namaaksigaretten ademwolkjes uit te blazen. Maar dit was “echt”: het gevoel een sigaret tussen je vingers te hebben, het aftikken van de as. Dit was Miss Blanche, dit was Belinda, dit was de volgende stap in de reeks: veel te grote hooggehakte schoenen van mijn moeder aan,  met kleurpotlood rood gemaakte nagels en sinaasappels onder mijn trui. Oefenen.

De suppoost kwam binnen, dezelfde, wij frommelden vlug de sigaretten uit het zicht.  

Maar deze keer lukte het om een gesprek met hem te beginnen. Misschien was het een afleidingsmanoeuvre, misschien zag hij het nutteloze in van zijn waarschuwingen. Hij pakte nu zelf een leren tabaksbuideltje en begon een sigaret te rollen.

Bij die vage innerlijke foto van deze eerste suppoost horen woorden als: scheiding, opnieuw bij moeder inwonen en gevoelsindrukken van zinloosheid, somberte.

We bleven komen en hij ook. Hij droeg een mistroostige sfeer met zich mee, die goed paste bij het sombere museum. Maar zo nu en dan was er een vonkje plezier als we daar met hem zaten. Was dat wat ons aantrok? Dat we een knorrige oudere man die ons terechtwees konden veranderen in een bijna  gelijkwaardig mens met wie we in die blauw bewalmde ruimte een sigaret rookten?  Ontdekten we een nieuw soort macht? Een interesse in ons die we niet gewend waren?

“Nou, tot volgende week,” zeiden we tenslotte en liepen over het donkere parket, langs de donkere schilderijen met de zeeslagen, langs de donkere lambriseringen naar buiten. Tot het voorbij was.