
We weten natuurlijk inmiddels wel dat de grens tussen het gewone, veilige, comfortabele deel van ons leven enerzijds en het deel waar horror en doodsangst heerst, nogal dun is. Maar natuurlijk was het schrikken toen René me deze week op een ochtend om zes uur wakker maakte terwijl hij een bebloede handdoek tegen zijn gezicht drukte.
Het onstelpbare bloeden uit neus en mond, het kokhalzen, de tijd die het duurde tot er bij 112 werd opgenomen, het wachten op de ambulance, de twee mannen met grote zwarte schoenen in de slaapkamer, René in zijn ochtendjas op de binnenplaats op weg naar de ziekenwagen. Het was verschrikkelijk schrikken.
Na een paar uur in het ziekenhuis mochten we weer naar huis. Het was allemaal veroorzaakt door een klein wondje in zijn neus in combinatie met bloedverdunners.
Nadat alles gesopt en verschoond was, de bak met bloed uitgespoeld, het badkamermeubel weer glanzend wit, de granito vloer gedweild, het bed verschoond, en René veilig en wel tussen de verse lakens lag, begon het bloeden opnieuw. En weer was daar de angst, de onderdrukte paniek, het wachten op hulp. Ik pakte hetzelfde bakje als een paar uur eerder, toen de 112 telefoniste me had geïnstrueerd. Dat er gewoon een emmer voorhanden was, zag ik pas later. Het bakje was te klein, bij elke beweging spatte er bloed naast René op de grond en ik zag mezelf steeds maar met een doekje bezig. Met een washandje, om het bloed weg te vegen van zijn mond, van zijn neus, van zijn handen, zijn benen, en met een dweiltje waarmee ik de bloeddruppels die naast het bakje vielen, van de vloer veegde. Ook toen de huisarts er eenmaal was, bleef ik heen en weer lopen met dweiltjes en washandjes. Ik zag het mezelf doen en ik ergerde me. Toen: de wegdraaiende ogen van René, de paniek van de huisarts, zijn oproep aan 112 voor een ambulance met spoed, weer andere mannen in felgele pakken in de slaapkamer, een infuus. Een kamer op de Spoedeisende hulp, wachten.
Nadat nu een KNO arts goed gekeken en behandeld had, mochten we weer naar huis. Toevallig was het dezelfde taxichauffeur als eerder die dag, die ons bracht. En daar waren ze weer, de bloedspatten, op de trapleuning, op de lichtknopjes, aan de binnenkant van het rolletje wc papier. En daar ging ik weer. Dweiltje, doekje. Alles moest schoon zijn, zo schoon als een pas verschoond bed. Zo veilig als een pas verschoond bed.