
1.
In het museum voor moderne kunst in Nice, het MAMAC, zag ik een tentoonstelling van de Canadese kunstenares Liz Magor. Haar thema: dingen. Hoe we ze gebruiken en onze sporen er op achterlaten en welke betekenis we eraan geven.
Zo exposeerde ze oude dekens, nog half in het plastic van de stomerij, met zorgvuldig gestopte gaatjes en niet helemaal uitgewiste vlekken. Het roept meteen het beeld op van een mogelijke eigenaar, een ouder iemand waarschijnlijk, die arm is of zuinig. Iemand die de oorlog nog heeft meegemaakt en niets weggooit wat nog van waarde kan zijn in een onbestendige toekomst. Een ander beeld dat me trof was een opstelling, bestaande uit een mooie glanzende ovalen eettafel, met daar omheen kartonnen dozen, een zwartleren bankstel en twee houten kasten. Op de tafel staan twee roze kristallen glazen, nog half in vloeipapier, naast een stapeltje borden. Eronder ligt een Perzisch tapijt, dat al uitgerold is of nog opgerold moet worden. Een levensechte porseleinen hond, op zijn eigen oranje dekentje, kijkt vanonder de tafel vragend op. Andere voorwerpen zijn in dozen gestopt, onzichtbaar gemaakt. Het doet me denken aan mijn laatste verhuizing, toen ik mijn spullen bij elkaar op straat zag staan in afwachting van de verhuiswagen en voelde: ik heb op dit moment geen thuis. Ook dit is het beeld van een verhuizing, van het overgangsmoment tussen het oude en het nieuwe thuis en ook dit beeld roept een gevoel van ontheemding bij me op. Het zijn de dingen, zonder hun eigenaar, en zonder dat ze in een bepaalde orde ten opzichte van elkaar staan.

2.
De opstelling van Magor roept automatisch de vraag op: van wie zijn deze dingen? Wat voor iemand is dit? En dat doet me denken aan het werk van de Amerikaanse fotograaf Peter Menzel. Hij portretteerde voor zijn serie Material world: a global family portrait, mensen over de hele wereld, met al hun bezittingen voor zich uitgestald. Roept de opstelling van Magor het beeld op van een ontbinding van het thuis, de foto’s van Menzel, waarop die ontbinding in feite compleet is, roept dat gevoel van ontheemding niet op. Integendeel.

Op deze foto van een gezin in Bhutan zie je hoe duidelijk de verbinding is tussen de familie en hun dingen: kleuren, materialen, mensen, dieren en landschap, alles hoort bij elkaar. Hier zie je wat je nodig hebt en wat mooi en belangrijk kan zijn, als je op deze plek woont: kleurige matten en kussens, ijzeren waterkannen, geiten, een religieuze afbeelding. Met al hun eigendommen voor zich uitgespreid is zowel het totale bezit van deze mensen zichtbaar, als de demontage van hun dagelijkse omgeving.
Op de volgende foto zijn de bezittingen van een Duitse familie afgebeeld; wat een doorsnee zou kunnen zijn van wat een gemiddelde westerling heeft: zoals meubilair, familieportretten en, wat blijkbaar hun trots is: een geïllustreerde bijbel.

3.
De dingen waar we dagelijks mee zijn omringd, staan in verband met ons, de eigenaren, en dat is geenszins een statische toestand. We zijn elke dag in de weer om ze te pakken, te gebruiken, af te wassen, schoon te maken, op te ruimen. Ze te wassen en te strijken. Spullen hebben kost een hoop tijd. Ook is er een voortdurende, bijna organische uitwisseling gaande van voorwerpen tussen onze woningen en de buitenwereld. Elke dag dragen we dingen, zoals de dagelijkse boodschappen, de krant, onze werktas, mee naar binnen, en oud papier, plastic, vuilnis en de werktas weer naar buiten.
En er is een voortdurende beweging tussen de dingen onderling. De nieuwe schoenen verdringen de andere naar een plaats achterin de kast, de winterjassen worden in de lente van de kapstok gehaald en opgeborgen, één schaaltje is ineens favoriet voor de ochtendyoghurt, ten koste van de andere bakjes.
4.
Ik ben aan het opruimen en er is van alles dat weer eens frisse aandacht krijgt: snuisterijen die al heel lang rustig in de kast stonden, paperassen die zich in dozen opgeborgen aan het dagelijks zicht onttrokken, glaswerk en linnengoed, het krijgt allemaal een kritische inspectie. Wat heb ik veel! En wat heb ik dat goed buiten mijn aandacht kunnen houden! Al die kleren, huisraad, apparaten, papieren…
Voor mij op tafel staan twee houten beeldjes. Ze zijn door één van mijn ooms, die deelnam aan de politionele acties, meegenomen uit Indonesië. Hij gaf ze aan mijn ouders, nog voor ik was geboren. Ik ben ermee opgegroeid, ze stonden altijd op de schoorsteenmantel in de woonkamer.

Toen mijn ouders kleiner gingen wonen, heb ik ze gekregen. En nu vraag ik me af, houd ik ze of gaan ze weg? Waarom dit bewaren, en iets anders wegdoen? Het is moeilijk voor mij om ze nog echt waar te nemen. Ik ga er voor zitten en bekijk ze zorgvuldig. Het ene beeldje stelt een smal jongensgezicht voor met een traditioneel Javaanse hoofddracht: een gevouwen, gesteven, doek. Het neuspuntje, de lippen en de kin hebben een veel lichtere kleur dan de rest van het donkere mahoniehouten beeldje. Vermoedelijk het gevolg van stofdoekslijtage. Het andere beeldje is een fractie groter. Dit kopje heeft een hogere, opengewerkte hoofdtooi. Ik pak het op en bekijk het van alle kanten. Aan de achterkant zitten een paar evenwijdige groefjes in de tooi, alsof er iemand in gesneden heeft. Hoe komen die daar? Als ik de sneetjes bevoel, breekt er een stukje af. Was het gelijmd? Nu ik goed naar de details heb gekeken, probeer ik het geheel te zien, nog steeds in een poging de vertrouwdheid te negeren. De gezichtjes hebben een serene gelaatsuitdrukking, de ogen zijn neergeslagen. Lang geleden zijn ze door een houtsnijder gemaakt, ik stel me voor dat hij ze op een doek langs de kant van de weg uitstalde, waar een Hollandse soldaat, mijn oom, ze kocht. Was de maker een kunstenaar of een ambachtsman? Verkocht hij aan de vijand of was hij sympathisant van het Nederlandse leger? Of deed dat er niet toe, moest hij gewoon vrouw en kinderen in leven zien te houden? In Nederland kwamen ze terecht op de schoorsteenmantel in een woonark en daarna zijn ze meeverhuisd naar verschillende plekken in Amsterdam.
Als ik zo met hernieuwde aandacht naar de beeldjes kijk, maak ik me bewust van hun aanblik en geschiedenis. Ik merk ook dat ik ze eigenlijk niet mooi vind. Hun geschiedenis en herkomst heeft evenmin veel betekenis voor me. Sterker nog, ik heb eerder het gevoel dat ze me vreemd zijn. Maar zodra ik ze weer op hun plaats heb gezet, wil ik ze houden. Omdat ze me zo vertrouwd zijn.

Het lukt me niet om beide manieren van kijken te verzoenen. Het is als het beroemde tekeningetje van Freud, What ’s on a mans mind? waarin je een naakte vrouw kunt zien, maar ook het hoofd van Freud. De hersenen altereren tussen twee betekenissen. Maar de conclusie is: als ze me niet opvallen, als ik ze niet bewust waarneem, zijn ze me vertrouwd.
5.
De dichter Co Woudsma schrijft in zijn gedicht Thuis over het vervreemden van het vertrouwde:
Thuis
Het huis is ons vreemd na de kortste vakantie,
veel vreemder dan verre hotels of paleizen.
Het glansloze vloerzeil negeert onze voetstap, een stapel van krantenpapier ligt op tafel.
De zeep is verdroogd en gebarsten, en went maar
met weerzin aan onze voorzichtige handen.
De kamers, de trappen vergaten volkomen
ons dagelijks leven, dat nu weer bezit neemt
van stoelen en banken. Steeds sterker verstoren
wij gasten het rustige leven der dingen:
de klok, die haar tijd had gevonden, moet doorgaan
en draaien, weer stroomt het geduldige water
door buizen, zojuist verzadigd van stilte.
Wij zetten de eigen TV aan en kijken,
en houden ons aarzelend voor dat wij thuis zijn.
Uit Viewmaster, 1997 van Co Woudsma
Heel herkenbaar, dat afstandelijke gevoel dat je kunt hebben als je een tijdje bent weg geweest. Maar wat opmerkelijk dat vertrouwdheid zo vluchtig is, zo snel vervliegt. Een paar weken afwezigheid is genoeg om je een vreemde te voelen in je eigen huis. Thuiskomen en zien dat de dingen er nog zijn, is niet genoeg om je ook thuis te vóelen. Blijkbaar moet je, om je thuis te voelen er ook weer even zíjn. Pas dan kijk je weer met de normale, globale aandacht. Wat er is, is er, vanzelfsprekend. Met andere woorden: als de afstand tot de dingen verandert, door ervan weg te gaan (vakantie), of door er juist bewust op in te zoomen (beeldjes), ontglipt je het gevoel van vertrouwd zijn. Het gevoel van thuis zijn, en vertrouwd met de dingen om je heen, is gebaseerd op het feit dat je ze niet waarneemt, dat ze geen aandacht vragen, maar er gewoon zijn.
6.
Pieter Hoexum schrijft in zijn artikel Doen alsof je thuis bent over zijn pogingen om het moment te betrappen, waarop hij zich in een nieuwe omgeving thuis voelt. Hoexum is dan schrijver in residence in het Roland Holsthuis. Hij schrijft dat ons thuisgevoel eerder is geworteld in het fysieke dan in het psychische. Tenslotte voel je je pas echt ergens thuis, redeneert hij, als je ’s nachts in het donker het lichtknopje kunt vinden. En, schrijft hij: ‘het is het lichaam dat zich instelt op de rare bocht in de steile trap’. Omgekeerd kennen we allemaal het ongemak als zo’n eenmaal ingesleten bewegingspatroon wordt verstoord, bijvoorbeeld als iets niet op zijn vertrouwde plek staat en je misgrijpt. Alles moet op zijn plek staan, zodat ik me op mijn vertrouwde manier door de ruimtes kan bewegen.
Maar, schrijft hij verder: Als ik steeds op zou blijven letten of en hoe ik me er thuis zou voelen, zou dat nooit lukken: ergens thuis raken betekent dat je er vertrouwd mee bent geraakt zonder dat je het je realiseert. Het gaat erom dat het huis vanzelfsprekend wordt, en iets wordt nooit vanzelfsprekend als je er steeds op let.
Mijn ervaring met de Javaanse beeldjes onderstreept dit en gaat misschien nog een stap verder: door voorwerpen die zo vanzelfsprekend zijn, weer bewust en aandachtig waar te nemen, werd hun vertrouwdheid zelfs verjaagd en werden ze me vreemd. Zo weet ik nu dat ik ze eigenlijk alleen heb, omdat ze er altijd al waren. Ze maken deel uit van mijn subliminale gevoel van thuiszijn. Wat overigens een goede reden is om ze te bewaren.
Bewaren is een vorm van verbinden. De dingen die ik heb, verbinden mij met mijn omgeving en geven me een gevoel van thuis zijn. Ze vormen ook een stoffelijke verbinding met wie ik was, waar ik was en met de mensen die ik ken. Foto’s, maar ook allerlei andere voorwerpen, maken het me zo mogelijk terug in de tijd te gaan, contact te maken met wie ik geweest ben. Wat er ligt aan ongelezen boeken en kranten legt een weg open naar een toekomstig moment dat er gelezen gaat worden. Of muziek wordt beluisterd. Of geschreven gaat worden. De dingen zijn er klaar voor. Dat alles samen vertegenwoordigt wat belangrijk is voor mij en wat ik graag ter beschikking heb, maar, op een onbewuste manier. Zo leef ik in een fysieke ruimte, die gevuld is met betekenis en probeer ik mijn leefruimte in het hier en nu vrij te houden.