Supergaaf

Onlangs las ik het boek Supergaaf, waarin het taalgebruik, lees: de verbale overmacht, van premier Rutte wordt geanalyseerd. Een waardevol boek.
Argumenteren doe je om in een gesprek tot een oplossing te komen, met het liefst zoveel mogelijk ruimte voor je eigen standpunten, licht schrijver Robbert Wigt toe in een korte inleiding over argumentatietheorie. Vervolgens laat hij met voorbeelden uit allerlei politieke debatten en interviews zien hoe Rutte dat doet. De overtuigende taal van Mark Rutte, is de ondertitel van het boek.
Van de verschillende debattechnieken die Rutte gebruikt, is er één waar ik een soort verbaasde bewondering aan beleef: de klare taal. Onze premier kan in uiterst heldere bewoordingen iets poneren dat inhoudelijk totaal niet klopt. Wigt geeft daar allerlei voorbeelden van en deze week kwam er ook weer een mooie voorbij:  ‘het moge volstrekt duidelijk zijn, dat het kabinet vasthoudt aan de voortvarende aanpak van de stikstofcrisis. Dat  het CDA de ruimte krijgt om zich te beraden op haar standpunt in dit dossier doet daar geen enkele afbreuk aan.’ (even in mijn eigen woorden weergegeven)  Eén van de coalitiepartijen staat op de rem, de eenheid van kabinetsbeleid staat ter discussie, het kabinet wankelt, maar we gaan voortvarend verder en zullen zeker geen vertraging oplopen, is de boodschap. Dat kán natuurlijk niet. Maar door het gebruik van woorden als: helder, duidelijk, volstrekt, maakt het allemaal een ferme en overtuigende indruk. Wigt noemt die woorden intensiveerders.
Bekeken vanuit de gesprekstheorie, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen inhoud- en betrekkingsniveau, acteert Rutte vooral op betrekkingsniveau, dat blijkt wel uit de analyses van Wigt. Hij geeft geen antwoord op de inhoud, maar zet de taal in op relatieniveau. En weet daarmee te domineren. Je kunt het ook gewoon bluf noemen.
Ik hou van taal en kan oprecht onder de indruk zijn van woordspelletjes zoals het oprekken van de waarheid in: ‘een extra bijdrage is geen verhoging’, ‘geen actieve herinnering hebben’,  of vaagtaal: ‘daarmee heb je wel iets van verbreding aangebracht in de feitelijkheid’ of het gebruik van onbekende woorden: ‘dat is niet om mij hiermee te disculperen’.
Waarover Rutte  later zegt, als Jort Kelder hem naar de betekenis van dit woord vraagt: “Weet ik eigenlijk ook nog niet precies maar het is een heel mooi woord en niemand vroeg wat het betekende”.
Ook bij deze debattechnieken gaat het er eerder om het overwicht te houden, dan om iets uit te discussiëren. De taal verhult en schept afstand in plaats van iets op te helderen. En daarmee heeft Rutte een flinke voorsprong op politici die op inhoud iets willen bereiken en het communicatieve aspect louter als middel daartoe zien, schrijft Wigt.
Al met al roept het lezen van dit boek gemengde gevoelens over Rutte bij me op.
Bewondering voor een soort slimmigheid, vasthoudendheid, verbale lenigheid.
Maar ook een gevoel van plaatsvervangende schaamte of ontluistering, omdat hij de minister president is en voor het oog van de wereld betrapt wordt op manipulatief gedrag. 
Natuurlijk, het hoort erbij. Het is onderdeel van het politieke spel. En het ligt nog mijlen ver af van het niveau van intimidatie waar Poetin zich schuldig aan maakt, die ooit een fikse herdershond los liet rondlopen bij een ontvangst van Angela Merkel, terwijl hij wist dat ze bang voor honden is.

Maar toch. Mijn premier is het niet. Dat heeft met politieke kleur te maken, zeker. Maar ook met mijn verlangen naar een minister president die kan inspireren en verbinden. Rutte hoeft dat niet. Want hij is een liberaal. En volgens liberale opvattingen bepaalt het krachtenspel in de samenleving de toekomst en niet een regering met visie. Wat natuurlijk uiteindelijk uitdraait op het recht van de sterkste. En daarbij past de debatstijl van Rutte. Hij is geen staatsman maar een manager die voor het voortbestaan van zijn kabinet vecht.