
Wat James Baldwin en Virginia Woolf gemeen hebben, is dat hun blik op de werkelijkheid haarscherp is én dat ze die eigen blik uitzonderlijk goed kunnen verwoorden.
Voor beiden bestond die werkelijkheid uit achterstelling: Baldwin als zwarte man in de door en door gesegregeerde VS, Woolf als vrouw, in de jaren 20 van de vorige eeuw. Het bijzondere is dat zij de onrechtvaardigheid en de woede (vooral bij Baldwin) die dat oproept, hebben omgezet in teksten die onomwonden duidelijk maken wat hun omstandigheden zijn, zonder dat daarbij iemand wordt buitengesloten, ook niet de onderdrukker, wit of man.
Lees verder: Inspiratie (1)In haar essay Je eigen kamer (A room of one’s own), dat is geschreven in 1928, laat Woolf prachtig zien hoe het geringe aandeel van vrouwen in de literatuur wordt veroorzaakt door hun achtergestelde en ondergeschikte positie. Als de dagtaak van de gemiddelde huisvrouw erop zit, het schoonmaken, boterhammen smeren en kleren wassen, is er aan het eind van de dag geen resultaat, geen verdienste. Het werk van vrouwen is vluchtig. Ook is er weinig canon om op voort te bouwen, weinig vrouwendenkruimte, En dat hebben wij vrouwelijke schrijvers nodig, zegt Woolf. Vrouwen hebben ruimte nodig om te kunnen schrijven: een eigen ruimte, letterlijk, in de vorm van een kamer, een tafel en een stoel. Geld, zodat er tijd is om te schrijven en te lezen, maar ook om te niksen, te mijmeren, in een eigen vrije denkruimte te zijn. Als aan die voorwaarden wordt voldaan, kunnen vrouwen tot dezelfde prestaties als mannen komen, is haar overtuiging.
Woolfs werk is een krachtige inspiratiebron, ze laat zien dat ze kijkt en nadenkt en haar eigen inzichten verwoordt; daar word ik blij van. En er is nog iets anders. Ze legt de vinger op de absurditeiten van de mannelijke overmacht op een milde, spottende manier. Ze slaat geen boze toon aan, ze toont zich geen slachtoffer. Want schrijft ze: “het is fataal voor een vrouw om ook maar de minste nadruk te leggen op haar klachten; om-zelfs als ze gelijk heeft- eender welke zaak te bepleiten; om op gelijk welke wijze bewust als vrouw te spreken. En ’fataal’ is hier geen stijlfiguur, want al wat geschreven wordt vanuit die bewuste vooringenomenheid, is verdoemd. Het wordt niet meer bevrucht. Hoe briljant en werkzaam, krachtig en meesterlijk het ook mag lijken……in de geest van anderen kan het niet groeien.“
Als ik het citaat zo overtyp lees ik het als vreselijk ouderwets en behoudend. Wij zijn er intussen, honderd jaar later, behoorlijk aan gewend geraakt dat mensen hun persoonlijke frustraties, gevoelens van achtergesteld zijn en onrechtvaardigheid ongecensureerd over elkaar heen storten. Maar Virginia Woolf heeft nagedacht over lezers en schrijvers en de dynamiek tussen hen. Er gebeurt iets als de tekst van de één in het brein van de ander “verder groeit”. En het is de taak van de schrijver om die tekst zó te maken dat die ook daadwerkelijk in andermans hoofd tot leven kan komen. Zodat de schrijver bijdraagt aan het ontwikkelen van bewustzijn, en uiteindelijk ons gezamenlijk bewustzijn over de ‘condition humaine’ groeit.