
Nathalie Sarraute is een Franse schrijfster van experimentele romans en essays. Ze is van Russisch-Joodse origine en groeide op in Parijs. Ze leefde van 1900 tot 1999. Er is een handjevol boeken van haar vertaald in het Nederlands, en wat ik daarvan las (Tropismen, Kindertijd, Het gebruik van het woord) maakte indruk op me vanwege haar precisie en haar analytische, onderzoekende schrijfwijze. In ‘Het gebruik van het woord’ uit 1980, legt Nathalie Sarraute in korte hoofdstukken een aantal woorden en vaak gebruikte zinnetjes onder de microscoop, zinnetjes als Praat me daar niet van of Tot gauw. Zo onderzoekt ze de reikwijdte en mogelijke betekenissen van de woorden en begeeft ze zich op het snijvlak van taal en psychologie.
Dat interesseert me. Wat kan een woord oproepen? Wat gebeurt er als je inzoomt op de betekenis van woorden binnen een zin? Ik nam een willekeurig zinnetje uit het boekje van Sarraute zelf (bladzijde openslaan, prikken) en probeerde het uit. De zin komt uit een scene waarin twee mannen elkaar ontmoeten in een café.
Lees verder: WoordenHij zwijgt dus om het te laten komen en wacht er met vertrouwen op.
Hij zwijgt- zijn woorden worden niet uitgesproken, maar blijven gedachten die door zijn hoofd spelen, onbelangrijke gedachten zoals een vluchtig zich afvragen of hij nog voldoende sigaretten heeft, kort, veel korter dan het schrijven of lezen van deze hele zin. Hij zwijgt- misschien zijn er geen gedachten, moeilijk voorstelbaar, maar mogelijk. Hij zwijgt- hij voelt geen aanvechting iets te zeggen. Hij zwijgt- er zit iemand tegenover hem, een man. Hij zwijgt, zodat er ruimte is. Geen ongemakkelijke ruimte die gevuld moet worden, geen onpersoonlijke afstandelijke ruimte, geen ruimte die de ander dwingt tot woorden (zegt u het eens?) maar een ruimte die de ander zachtaardig uitnodigt. Het mag-het hoeft niet- de ander mag spreken. De ander mag zich uitspreken. Zal daarin mogelijk worden begeleid of worden aangemoedigd door een warme blik, een Jaja, of een hoofdknik. Maar de ander zal niet tegemoetgekomen worden in de gezamenlijke ruimte.
Wat als de ander ook zwijgt? En de ruimte tussen hen leeg blijft- ongebruikt, onbenut- er ontstaat ongemak, een spanning bouwt zich op- geen van beiden eigent zich die spanning toe- maar die probeert toch zich opdringerig aan één van beiden te hechten. Misschien gaat A door de knieën en stelt voor: Zullen we iets bestellen? Met deze neutrale opmerking verenigt hij hen beiden in één zin en richt op een doel buiten hen, ergens in de richting van de toog. De spanning lost op. Of A neemt zijn bril af en wrijft de glazen één voor één op.
Maar nee, A zwijgt, want wacht er met vertrouwen op. Op de woordenstroom die meestal aarzelend op gang komt, na wat verlegen blikken en gefrommel aan een hemdsknoopje, en die langzaam, als een voorjaarsbui die als een bedachtzame waarschuwing eerst een paar grote lauwe druppels laat vallen, en dan opbouwt naar een korte felle uitbarsting. A zwijgt om het te laten komen, hij wacht er met vertrouwen op, hij weet wat er gaat gebeuren. Hij kent de volgorde van de komende gebeurtenissen.
Hij zwijgt dus om het te laten komen en wacht er met vertrouwen op.