Hoefbevangenheid

Een prachtige tocht was het, door het Limburgse heuvellandschap, langs Gulp en Geul. Glooiende heuvels, akkers waarop het goudgele koren wiegelde in de wind, schaduwrijke bossen.

Na de eerste dag had ik grote blaren op mijn hielen. Zo groot had ik ze nog nooit gehad.

Terwijl ik van jongsaf aan wel iets gewend ben qua blaren. De zondagse wandeling naar de kerk, op mijn paasbeste nieuwe schoenen, eindigde altijd met bebloede witte sokjes. En nu was ik toch gewoon op mijn goed ingelopen wandelschoenen met de gebruikelijke sokken op pad. Die avond bij gebrek aan beter de blaren toch maar even doorgeprikt met een tandenstoker (ik weet niet of het een gebruikte was, hij lag los in het voorvakje van mijn rugzak), wat prima ging. Even goed afgeplakt met pleister en de volgende ochtend weer op weg.

Dat viel niet mee. Elke stap deed pijn. Vooral als het pad omhoogliep (onvermijdelijk dat de hielen de schoenen raakten) of als we over kiezels liepen. Het kwam allebei en ook gelijktijdig veelvuldig voor. Bovendien was het warm, 32, 33 graden. Af en toe meer strompelend dan lopend vorderde ik langzaam. Bezorgd dacht ik aan de afspraak die ik net gemaakt had om in oktober in de bergen van de Sierra Nevada te gaan lopen. Als dat ook zo moeizaam zou gaan! Bij de supermarkt in het enige dorp waar we die dag doorheen kwamen was de paracetamol uitverkocht. Toen ik dit nogal hilarische feit aan mijn reisgenote meldde, deed een oudere vrouw een greep in haar tas en bood me twee stuks uit haar voorraad aan. Ontroerd en dankbaar nam ik ze aan. Halverwege de tocht begon ik me toch serieus af te vragen of het niet beter zou zijn om verder met het openbaar vervoer te gaan. We hadden er toen zo’n 14 kilometer op zitten. Dat ik een gekneusde rib had maakte het er niet beter op. Diep inademen was pijnlijk en het op en afdoen van het rugzakje was geen pretje.

Maar het is zo mooi hier. Zo afwisselend. In het bos, in de schaduw, gaat het prima. Ja, maar in het veld is het bloedheet! Ik heb pijn bij elke stap! Het is zonde om maar de helft te doen. Ik wil de rest niet missen!  Maar ik heb niet genoeg water! Probeer je je groot te houden? Nee! Naar een bushalte lopen is ook nog een heel eind en helemaal niet leuk. Ik wil doorlopen!

We zijn doorgelopen. De laatste kilometers deed ik op mijn slippers. We hebben uiteindelijk een heerlijke salade gegeten en een lekker glas wijn gedronken. In de trein merkte ik dat mijn kleine tenen er raar uitzagen. Onder de nagelriem zat een vreemd wit laagje. Als ik op de nagel drukte deed het pijn en het leek of de nagel los zat. De huid onder de hielblaren was vuurrood.

Ik heb de hele week last van mijn voeten gehad en elke avond prikte en plakte ik dat het een lust had. Vanmorgen was één van mijn kleine tenen paars en etterig en mijn ene rib doet nog steeds zeer. Ik voelde me zielig.

De doktersassistente zei dat ik moest langskomen. De huisarts keek me ongelovig aan. 25 kilometer? Bij 32 graden? Met bagage? En een gekneusde rib? U bent wel een doorzetter!

Ik vind het zelf eigenlijk eerder een beetje absurd. Waarom heb ik het zo gedaan? Waarom heb ik niet gewoon opgegeven? Realiseerde ik me niet wat ik deed? Was het omdat mijn reisgenote lichtvoetig voor me uitliep en ik me niet wilde laten kennen? Dat het dus wel te doen moest zijn? Of was ik bevangen door de situatie? Het kan allemaal, maar uiteindelijk kom ik tot de conclusie dat ik de tocht gewoon graag wilde afmaken, ik vond het een mooi landschap, zonde om op te geven en de rest te missen. De prijs, een week van moeheid, pijntjes en ongemak, is aan de hoge kant. En misschien is het toch, uiteindelijk, ook wel fijn om het te kunnen.

PS O ja, hoefbevangenheid. Een mooi woord dat we lazen op een bordje bij een weiland met een paard erin. Ik heb het net even opgezocht. Het blijkt een aandoening aan de hoeven te zijn: “Je zult merken dat je paard zo min mogelijk wil bewegen, omdat dit pijnlijk is.”