
Een jaar of tien, vijftien geleden, werkte ik op het stadhuis in Amsterdam. Onze kamer had uitzicht op de Blauwbrug en op een ochtend klonk er vrolijke muziek buiten, getrommel, zang. Toen ik uit het raam keek zag ik een groep mensen staan: vrouwen in traditionele Surinaamse gewaden, kunstig gevouwen doeken op het hoofd, een man met een trommel. Nieuwsgierig liet ik mijn werk in de steek en ging naar beneden. Het bleek te gaan om KetiKoti , de viering van de bevrijding van de slavernij. Een groep van zo’n vijftig, misschien honderd mensen zette zich in beweging naar het Oosterpark voor een herdenking. Ik had er nooit eerder iets over gehoord.
Nu, 1 juli 2023, liepen de tranen over mijn wangen bij de plechtigheid ter gelegenheid van 150-160 jaar bevrijding van de slavernij. Een officiële herdenking, in aanwezigheid van de koning en de koningin, de minister-president en verschillende ministers, afgevaardigden uit overzeese landsdelen en Suriname, allerlei hoogwaardigheidsbekleders, maar vooral vele, vele kleurrijk geklede mensen met een slavernijverleden. Wat een emancipatie.
Ik zag voor het eerst een zwarte man toen ik ongeveer tien jaar oud was. Ik weet nog precies waar: we liepen elkaar tegemoet op de Bilderdijkkade. Er was op school verteld over de mensenrechtenstrijd van de zwarte bevolking in de VS. Over de achterstelling, over de segregatie in het openbaar vervoer, in het onderwijs. Over de KuKluxKlan, de lynchpartijen, de rellen. Dat ging door me heen toen we elkaar naderden. Het liefst had ik hem aangeklampt om te zeggen dat wij in Nederland niet zo waren, wat ik deed was vriendelijk naar hem glimlachen.
Dat was natuurlijk goed bedoeld van mij. Maar ik haal dit voorval aan, omdat ik toch al, als klein meisje, meegekregen had, dat dit iemand was die wegens zijn huidskleur in een ander deel van de wereld als minderwaardig werd beschouwd en behandeld. Ik zag hem dus onmiddellijk al anders dan een willekeurige witte man, naar wie ik niet zo zou hebben geglimlacht. Ik meende hem in zijn gelijkwaardigheid te moeten bevestigen, hem daarover gerust te moeten stellen. Wat niet gelijkwaardig is. Zo lastig ligt dit dus.
Toevallig las ik een interview met de Amerikaanse filosoof en hoogleraar Afrika-studies Olúfémi Táíwò. Ik ben totaal niet thuis in de discussies over het onderwerp dekolonisatie: het doorwerken van de koloniale verhoudingen in de cultuur en politiek en de pogingen nu in Afrika om daar los van te komen. Maar hij lijkt me iemand die uit het schema-denken wil blijven, wil ontmythologiseren. Hij wil de aandacht richten op de werkelijke historische achtergronden van (de)kolonisatie en op de kracht van de Afrikanen. Bijvoorbeeld door aan te halen dat tot in de jaren tachtig van de negentiende eeuw de relatie tussen Afrikaanse en Europese heersers in grote delen van Afrika wederzijds soeverein was. Of te memoreren dat het dehumaniseren van de Afrikanen in de slavenhandel nooit volkomen gelukt is, dat er altijd en op allerlei manieren verzet was. Ik denk dat dit een belangrijke invalshoek is, niet om de wreedheden en de schuld van de slavenhandel weg te poetsen, maar om het degraderen van de tot slaaf gemaakten niet te blijven voortzetten. En iets van de beklemming en de last weg te nemen van een identificatie met honderden jaren van vrijheidsberoving, misbruikt zijn, ontmenselijkt zijn.
In een jaar of tien, vijftien is het de zwarte gemeenschap in Nederland gelukt om het slavernijverleden op de kaart te krijgen. Om een herdenking op nationaal niveau te realiseren, compleet met een indrukwekkende toespraak van de koning, het spelen van The last Post, een minuut stilte en een kranslegging. Maar vooral ook met een plengoffer van Winti priesteres Marian Markelo aan de voorouders, met een aangrijpend lied dat de klaagzang van een slavin vertolkte. En dat te midden van een grote menigte aan mensen die, gekleed in kleurige gewaden uit allerlei verschillende tradities, zelfbewust aanwezig waren. Het is die zelfbewustheid, die mij zo ontroerde. Wat een power. Wat een kracht, wat een emancipatie!.