
Na 638 bladzijden sloeg ik het laatste boek van Murakami dicht met de innerlijke verzuchting: Ik hou van Murakami…
Deze roman, De stad en zijn onvaste muren, is in de recensies die ik heb gelezen niet erg gunstig besproken. Te langdradig, teveel herhalingen. We kennen Murakami zo langzamerhand wel, hij zou zich eens moeten vernieuwen. Kritiek die ook van fervente liefhebbers zoals Auke Hulst kwam. Over die opmerking dat de schrijver zich zou moeten vernieuwen heb ik trouwens nog wel even nagedacht. Vind ik dat ook? Een schrijver heeft een kenmerkende eigen stijl, vergelijk Elisabeth Strout met Ali Smith met Claire Keegan, zo verschillend, zo eigen! Zou hun stijl moeten worden vernieuwd? Nou nee, dat denk ik echt niet. Die stijl maakt ze uniek en waardevol. De thematiek dan? Kijk naar Nobelprijswinnares Annie Ernaux, naar Edouard Louis, Oek de Jong of Reve. Het thema waarover zij schrijven weerspiegelt de waarnemingswereld, de ervaring, de blik van de schrijver. Waarom moet dat vernieuwd worden? Vernieuwen zou ook kunnen slaan op de noodzaak om meer op de actualiteit in te haken. Ja dat is misschien wel een goed argument. Maar hebben we er niet meer aan als we door het lezen van een verhaal iets meer begrijpen van onszelf en de menselijke conditie, en dus uiteindelijk van de grote levensthema’s? Zolang we maar toegang hebben tot vele stemmen en perspectieven…..
Goed, terug naar Murakami. Hij wordt wel beschouwd als een magisch realist, omdat er altijd dingen gebeuren in zijn boeken die “niet echt kunnen.” Op dat thema heeft hij vele malen gevarieerd. Maar wat ik zo goed aan zijn werk vind, is dat hij exact op de rand weet te balanceren tussen droom, fantasie, magie enerzijds en werkelijkheid anderzijds. Het zijn verhalen die in de werkelijkheid spelen zoals wij die zo ongeveer wel kennen, maar hij gaat steeds de grens over naar een particuliere droomachtige variant daarop.
Ook in dit boek speelt hij een spel met de werkelijkheid, maar dit keer gaat hij een stap verder en laat hij door de gedachten en uitspraken van zijn romanfiguren over wat werkelijkheid is, een duidelijker, explicietere opvatting hierover zien.
Het verhaal gaat over een jongen die voor het eerst liefde opvat voor een meisje, ze zijn een jaar of vijftien, zestien. Omdat ze in verschillende steden wonen, ze hebben elkaar ontmoet als winnaars van een opstelwedstrijd, zien ze elkaar om de twee weken en tussendoor schrijven ze elkaar brieven. Het meisje voelt zich niet erg thuis in de wereld en vertelt hem dat ze een denkbeeldige stad heeft verzonnen. Samen fantaseren ze verder over deze stad: hij ligt omsloten tussen hele hoge muren, er stroomt een rivier doorheen waarover drie stenen bruggen liggen, eenhoorns lopen door de straten en de klok op de toren heeft geen wijzers.
Op een dag komt het meisje niet opdagen op hun afspraak en reageert niet meer op zijn brieven of telefoontjes. De jongen groeit op, gaat studeren, vindt een baan, maar nooit vergeet hij zijn eerste liefde. Hij mist haar, hij verlangt naar haar, en hij vermoedt dat ze naar hun stad vertrokken is. Weg uit de werkelijkheid waarin ze zich niet thuis voelt. Hij verlangt er hevig naar om haar in die stad te gaan zoeken en op een keer weet hij daar ook terecht te komen. De rest van het verhaal zal ik niet verklappen, maar ik wil nog wel iets delen van mijn leeservaring.
De bijna saaie herhalingen van sommige feiten, zoals het aanzien van de stad, het wisselen van de seizoenen met praktisch dezelfde weersomschrijvingen (de eerste kou in de lucht, plakken sneeuw die langzaam smelten, het ontvouwen van jong blad) geven het verhaal een stevig fundament in de werkelijkheid, Als daar in die ons inmiddels bekende stad met de drie stenen bruggen en de torenklok zonder wijzers, fantasiedieren zoals eenhoorns rondlopen, past dat als vanzelf in die realistische beschrijvingen. Hij ankert de “onwerkelijkheid” daarmee stevig in de werkelijkheid. Door de minutieuze beschrijvingen van het bereiden van een maaltje spaghetti met schelpdieren, of van een vertrouwde duffelse jas die bijna versleten aan de kapstok hangt, neem je als lezer een uit de dood terugkerende bibliotheekdirecteur vanzelf mee in je werkelijkheidsbeleving.
Murakami’s thema is de werkelijkheid en zijn varianten.
Ik citeer nog een keer deze woorden van Murakami: “Zoals de stroom van deze rivier een gecompliceerd doolhof wordt en ronddwaalt in donkere dieptes onder de grond, zo ontrolt ook onze werkelijkheid zich langs eindeloos veel vertakkingen in ons binnenste. Eindeloos veel verschillende werkelijkheden zijn met elkaar vermengd, verschillende aftakkingen zijn met elkaar vervlochten, en daaruit ontstaat als een amalgaam de werkelijkheid-datgene wat wij als werkelijkheid beschouwen.”
Of:
“Heb jij dat nooit? Alsof je niet kunt afbakenen wat droom is en wat werkelijkheid…”
“Ik voel gewoon dat deze werkelijkheid niet bij mij past…..De zintuiglijke waarneming dat deze werkelijkheid niet mijn werkelijkheid is, het diepe gevoel misplaatst te zijn, kan ik waarschijnlijk met niemand delen.”
Tegen het einde van de roman haalt Murakami Gárcia Márquez erbij: “ ‘In het verhaal dat hij vertelt lopen werkelijkheid en onwerkelijkheid, levende personen en overleden personen, door elkaar tot één geheel,’ zei zij. ‘Als de normaalste zaak van de wereld.’ ‘Dat wordt doorgaans magisch realisme genoemd,’ zei ik. ‘Inderdaad………maar ik vraag me af of het voor García Márquez zelf niet gewoon realisme is. In de wereld waarin hij leefde, lopen werkelijkheid en onwerkelijkheid alledaags door elkaar, en heeft hij niet gewoon beschreven wat hij zag?’ ‘Dus je bedoelt dat in de wereld waarin hij leefde het werkelijke en het onwerkelijke fundamenteel gelijkwaardig naast elkaar bestaan en dat Gárcia Márquez dat alleen maar zonder meer heeft vastgelegd.’ ”
En dat is vermoedelijk zoals het voor Murakami zelf is: de werkelijkheid en de onwerkelijkheid bestaan naast elkaar, zoals ook een klein kind moeiteloos schakelt tussen fantasie en realiteit.