Eikels

Foto AI gegenereerd

Mijn vader had een dwingende hand van opvoeden. Wat overigens niets bijzonders was in de jaren vijftig en zestig. De opvoeding had destijds andere doelen dan tegenwoordig. Maar zijn kritische aanwezigheid in mijn jonge leven heeft tot gevolg gehad dat ik elke deur achter me sluit, de kraan niet voor niets laat lopen, mijn voeten recht vooruit plaats, kopjes doorgaans niet op de rand van het tafelblad plaats, en zeker nooit in de weg zal staan bij in- uit- of doorgangen. Ongetwijfeld nuttige gewoonten, ook in het sociale verkeer. Minder prettig is, dat ik, behalve deze goede gewoonten, ook de dwingende hand van opvoeden van mijn vader heb overgenomen. Ik heb geen kinderen, maar wel medemensen. En, net zoals ik mij verschrikkelijk aan mijn vader ergerde, erger ik me wild aan mezelf als ik weer eens op straat iemand naroep: hand uitsteken! Of: rechts rijden! Op je eigen baan blijven! Is dit 30 km per uur? U staat hier de ingang te blokkeren. Dit is een stiltecoupé. Kunt u misschien iets zachter telefoneren? Wilt u op de stoep gaan lopen! 

Automobilisten schreeuw ik alleen maar na: sukkel, hufter. Eikel! Klootzak! In de hoop dat zij iets horen, begrijpen waar die wilde woorden vandaan komen en onmiddellijk hun gedrag aanpassen. Vaker gebeurt het echter dat er een raampje open zoeft en ik nog akeliger scheldwoorden retour krijg.

Ik gedraag me het slechtst als de denkbeeldige tegenstander anoniem is. Maar soms ben ik zo getergd, dat ik met fiets en al stil houdt naast een toerist die zojuist levensgevaarlijk gedrag vertoonde door niet te kunnen fietsen, wel te telefoneren en over de weg te zwalken, en dat dan in de Haarlemmerstraat. Ik zeg dan iets als: Misschien kun je beter niet hier gaan fietsen als je het niet kunt. En dat in het Engels. De verbouwereerde, licht verwilderde blik die ik dan terug krijg, alsof ík virtual reality ben en niet haar telefoontje, daar schrik ik dan wel van. Zó was het nou ook niet weer bedoeld. Wat onaangenaam vind ik mezelf dan.

Ik schrijf dit terwijl ik in een stiltecoupé zit en er om me heen geschreeuwd, getelefoneerd, gepraat en gehuild wordt. Ik ben omringd door toeristen en ook al heeft de conducteur zojuist omgeroepen dat er stiltecoupé ’s zijn en dat men daar rekening mee moet houden, men hoort het niet vanwege het eigen gekakel. Echt, het jeukt letterlijk om de Italiaan schuin tegenover mij, zijn hand beschermend op zijn kruis, de telefoon in zijn andere hand, tot de orde te roepen. Ik heb het nog niet gedaan, ik laat de hem zijn welluidende zinnen door de coupé gooien, en adem door. Vanmorgen zag ik namelijk een lezing van de boeddhistische non Pemma Chödrön. Ze lichtte met een wijze, vriendelijke glimlach toe, hoe wij mensen het liefst in onze comfort zone zitten. Ons ontspannen met Netflix en games en daar is niets mis mee. Nou ja…. Vervolgens legde ze uit dat die comfortzone de neiging heeft om te krimpen. En dan, naarmate je ouder wordt, voel je je steeds minder op je gemak en jagen dingen waar je je vroeger okay bij voelde, je nu angst aan. Het is dan ook verstandig om nu en dan uit je comfortzone te stappen en in de volgende ring, die ze op een whiteboard tekende, de challenging zone binnen te gaan. Iets te doen waar je je niet zo prettig bij voelt. Dat is namelijk het gebied waarin je leert. Waarin je je leefgebied uitbreidt. Dus die woorden indachtig, zit ik in de stiltecoupé, in een oorverdovende kakafonie en oefen mijn buikademhaling. Terwijl het rood aangelopen duiveltje in mij voortdurend briest: ‘Waarom moet ík me aanpassen, zíj moeten stil zijn!’ rijdt de trein uiteindelijk gelukkig het station binnen van mijn plaats van bestemming.  “We naderen het volgende station en deze trein komt precies op tijd aan!” roept de conducteur blijmoedig om. ‘Ja héhé, op tijd, natuurlijk’, antwoordt mijn duiveltje, roodgloeiend, ‘dat mag ik hopen! Daar worden jullie voor betaald! Eikels!’