Publiekstentoonstelling

American Gothic

Gisteren was ik voor het eerst sinds mijn ziekteperiode weer in het Concertgebouw. Kleine zaal, strijkkwartetten. Het was weer helemaal heerlijk. Het publiek, gemiddelde leeftijd tachtig plus, met veel mannen in te groot geworden colberts en vrouwen met orthopedisch schoeisel en verward haar. Het geroezemoes vooraf, het langzaam stilvallen van de zaal, de opkomst van de muzikanten, het applaus. Het aanstrijken van de violen. En dan het langzaam wegdwalen van de gedachten. ‘Hiermee voel ik me verbonden’, dacht ik.

Die middag hadden goede vriend B. en ik een mooi gesprek. We vroegen ons af hoe het toch kan dat wij, met onze kring vrienden, ooit begonnen met bevlogen linkse idealen, demonstreerden, kraakten, actief waren in de studentenbeweging, de vrouwenbeweging, de vredesbeweging nu allemaal geëindigd zijn in luxe. Snel in waarde gestegen eigen huizen, meerdere vakanties per jaar, goeie auto voor de deur, tweede huizen….. Terwijl wij de kennis, de ervaring, het netwerk en het geld hebben om een verschil te maken in de wereld. Volgens B., die op zijn zeventigste nog actief werd bij Extinction Rebellion, komt het omdat er geen bundeling is. We voelen wel dat het niet helemaal klopt zoals we leven, maar we kunnen er niets mee. Onze onrust kan niet aanhaken bij iets dat tot actie leidt.  

Misschien dat ik me door dat gesprek meer bewust was van waar ik me wél mee verbonden voel, behalve dan met de mensen waar ik om geef. Namelijk bij deze groep mensen die zich kan laten ontroeren door levende muziek. Die thuis naar de radio zitten te luisteren of moeizaam zelf oefenen op een pianostuk. Ik voel me verbonden met die cultuur. Zoals ik me ook verbonden voel als ik lees. Met de schrijver, die gedachten en gevoelens heeft opgeschreven die weerklank vinden in mij. Met andere lezers, met wie ik me kan verbinden via een boek, ons derde punt.

In de sublieme roman Welzijn van Nathan Hill geeft Jack, één van de hoofdpersonen, les aan de universiteit en doceert Inleiding in de kunstgeschiedenis. Hij vertelt zijn studenten dat er bijna geen schilderijen zijn van de prairies van het Midwesten. Dat komt omdat ze niet zijn af te beelden, te vlak zijn, geen perspectief hebben. Na het college gaat hij naar het Art Institute  (het boek speelt in Chicago) en kijkt hij naar één van de weinige schilderijen waar de prairie wél op staat. The prairie on fire. Terwijl hij daar staat en het schilderij voor de zoveelste keer op zich laat inwerken, denkt hij aan het wereldberoemde American gothic, dat op een zaal erboven hangt en waar hij vroeger zo vaak voor gestaan heeft. Hoe hij de details minutieus bekeek, dan weer een stap naar achteren zette om het geheel in zich op te nemen, soms bleef hij er wel een half uur.

Ja, dat herken ik, zo ging ik vroeger naar het Stedelijk. Gewoon door de zalen lopen en zien wat je blik trok, daarvoor gaan staan en kijken, niet alleen met je ogen, maar met je wezen, voelen wat het met je doet, de kleuren, de vormen. Dus nu eens niet automatisch interpreteren en betekenis geven, beoordelen, iets goed of slecht vinden. Een andere ruimte betreden, een vrije ruimte. Ervaren. American gothic is inmiddels een immens populair schilderij geworden. Zou hij er nog eens naar teruggaan, dan zou hem binnen een half uur zeker zes keer gevraagd worden om mensen op de foto te zetten met het schilderij als achtergrond, liefst in dezelfde houding als het boeren echtpaar dat erop afgebeeld is. En dat is wat ook veel publiekstentoonstellingen kenmerkt. Massaliteit, met veel mensen tegelijk door de zalen drommen, langs anderen heen proberen een glimp op te vangen van de kunst, iedereen is druk aan het fotograferen, liefst met de kunst als achtergrond voor een selfie. Is dat erg? Op zich natuurlijk niet. Wat maakt het uit, fijn dat er zoveel mensen naar het museum gaan. Alleen, nu hoor ik  iedereen om me heen zeggen dat Kiefer zo geweldig is, of Levi van Veluw. En straks gaat iedereen naar Mueck. En dat voelt alsof er iets van me wordt afgepakt. Als een kunstenaar, bij wiens werk ik iets persoonlijks voel, waar ik de naam van heb onthouden, die ik heb opgezocht en weer heb opgezocht en die iets voor me betekent, een publiekslieveling wordt. Het is alsof je iets zorgvuldig hebt verzameld en gekoesterd en iemand anders krijgt ineens zo’n hele verzameling cadeau, zoiets.

Naschrift: Nadat ik dit stukje had geschreven, heb ik het even weggelegd. Ik had afgesproken in het Van Gogh, om de tentoonstelling van Matthew Wong te zien. Wat bleek, Wong, van wie ik nog nooit had gehoord, bleek een gerenommeerd schilder te zijn en het publiek dromde ook om 18.15 uur ’s middags door  de zalen. Het was een goede oefening in geduld om te wachten tot je af en toe alleen voor een kunstwerk kon staan. En toen was er alleen nog de derde verdieping, met een stilteruimte en de uitnodiging om daar rustig plaats te nemen en dat ene schilderij daar nu eens echt te bekijken. Er is hoop. 

Momenteel verschijnen deze blogs onregelmatig. Wil je een seintje krijgen als er een nieuw bericht is geplaatst? Abonneer je en je ontvangt een berichtje per mail.