Missen

Waar ik niet op had gerekend is hoe snel, na een overlijden, afstand ontstaat.

De ene dag is er de stilte, het bijna heilig ontzag, aan het sterfbed. De volgende dag is er het overleg met de uitvaartondernemer. De ene dag de intimiteit en het rauwe verdriet, de volgende dag het regelen van het afscheid. Welke locatie past bij hem, namens wie wordt de rouwkaart verstuurd, welke muziek is geschikt. Wie gaat er spreken? En intussen stapelen zich de gevoelens en verhalen van anderen tussen ons in. Gesprekken die soms aanvoelen als zalf voor mijn ziel, die mij met de anderen verbinden, maar jij bent de leegte tussen ons in.  

Ik spreek ook bij het afscheid. Ik raak nog geen tien procent aan van wat je voor me betekent. Ik zeg iets over dat je een goed mens was en waarom ik dat vind. Maar ik zeg niets over onze kleine grapjes en woordspelletjes, niets over hoe je hand voelde, als ik hem zocht tijdens een concert. Niets over hoe je mijn koude voeten warmde als ik in bed kwam. Of over hoe broos je haar aanvoelde. Ik zeg niet hoe je gemoedelijkheid mijn leven lichter maakte.

Natuurlijk, het ging over jouw gehele leven, je werk, je politieke inzet, je mooie lange vriendschappen, over wie je was, hoe je was. Natuurlijk. Je was niet alleen van mij.

Maar toch.

Ik had verwacht dat missen scherper omlijnd zou zijn. Dat ik vaak aan je zou moeten denken, je steeds voor me zou zien, je stem zou missen. Dat gebeurt juist niet, ik kan je beeld bijna niet oproepen. Jou missen is als rondgrijpen in een leegte.  Onze grondtoon is weg.

Jij bent weg.