
Onlangs stond er een spectaculaire foto in de krant van “de kraamkamer van de sterren”, gemaakt met de James Webb telescoop, de nieuwste, de sterkste. Alsof er mythologische goden op het gloeiend aambeeld licht uit materie slaan. Of andersom, materie uit licht. Fonteinen van kleur spatten uit elkaar tegen het eeuwig donkere.

Graag lees ik artikelen over sterrenkunde. Ik snap er niets van. Maar ik geniet van de taal. Want ook al ik begrijp ik het niet, de woorden roepen wel beelden op. Zwaartekrachtgolven ruisen in heelal zegt deze kop in het NRC van 30 juni j.l. Dat is toch een heerlijke zin? Ik zie golven door een inktzwarte duisternis stromen, ook al is er geen lucht. En zwarte gaten die alle materie om zich heen opslokken, maar niet elkaar. Zij dansen in een stabiel ritme om elkaar heen. Als vuurwerkballen. Maar dan stil, donker en ongezien.
De eindeloze ruimte, het grote Niets waar alles in verdwijnt maar waar ook alles uit voortkomt. Eindeloze ruimte, waarin we met sterke telescopen terug kunnen kijken in de tijd. Tot de oerknal. En dan daarna, er voorbij, erachter, naar wat er was vóór de oerknal? Want er was een begin, ergens.
Een langs deinende zwaartekrachtgolf zorgt er namelijk voor dat de ruimtetijd -en dus de afstand- tussen de aarde en de pulsar een piepklein beetje krimpt en uitrekt, slechts een meter per 9,5 biljoen kilometer.
Ruimtetijd. Ik hoef niet te weten wat er met dat woord wordt bedoeld. Ik heb geen exacte, onderbouwde betekenis nodig, ik heb genoeg aan het woord zelf en stel me er rekbare tijd bij voor, tijd die zich in alle richtingen uitstrekt, net als de ruimte zelf. En die, als gevolg van dansende zwarte gaten door de ruimte rimpelt.
Ik zit hier en kijk naar de kamperfoelieranken die nerveus heen en weer bewegen in een opkomend briesje. Van Noordtkade, stadsdeel Westerpark, Amsterdam, Nederland, Europa, de Aarde, het Universum. Zo klein, zo vol van onszelf.
En straks, als ik ga slapen, rust het Oog van God op mij. Ik wist niet dat deze sterrenconstellatie zo heette, toen ik de afdruk kocht van een foto van de Haley telescoop. Iemand vertelde het me. Iemand die nu zelf is opgenomen in het grote Niets. Dat wij hier deel van uitmaken. Het geeft mijn leven, buiten mezelf om, een verband. Het is een wonder.
