
Met ver vooruitgestoken hand komt zij op mij toelopen: “Mevrouw de Jonge? Wat fijn om kennis te maken!” Het klinkt alsof ik een langverwachte gast op haar feestje ben. Ik grabbel onhandig mijn jas, tas, krant, stok, handschoenen en thee bij elkaar en volg haar. “U heeft nogal wat meegemaakt,“ zegt ze, terwijl ze op haar computerscherm tuurt. “Ja, ….” “En hoe gaat het nu met u?” “Wel goed eigenlijk…” “Mooi, uit het onderzoek blijkt ook dat het uitstekend met u gaat.” “Betekent dat, dat ik kan stoppen met de medicijnen?” “Wat slikt u precies? In welke hoeveelheden?” ……… “O, maar dat is een snufje!” “Dus dan kan ik er wel mee stoppen?” “Nee, dat zou ik niet doen, maar wacht, ik ben even bezig, dit moet heel precies gebeuren, het gaat om medicijnen.”
Eenmaal buiten heb ik de pest in. Ik had willen weten of het écht goed gaat. Ik had willen vragen of ik die medicijnen nu écht moet blijven slikken. Maar waar ik vooral de pest over in heb, is dat de overdreven vriendelijkheid en de glimlach van de arts mij overdonderen en haaks staan op het feit dat ze geen contact maakt.
De communicatie met medici zette me al eerder aan het denken. Dat was naar aanleiding van een arts bij mijn bed, die zichzelf leek te moeten dwingen om te blijven staan. Zijn hele houding drukte uit dat hij weg wilde. Het voelde erg ongemakkelijk. Had hij het te druk? Lag het aan mij?
Mijn voorlopige conclusie is dat in feite, instrumenteel gezien, het contact van artsen met patiënten (op de verpleegafdeling in het ziekenhuis) bijna niet echt nodig is.
René vertelde dat hij eens, toen ik nog in coma was, tegen een groepje medici had gezegd dat ijverig de monitoren om mij heen stond te bestuderen: “Nee, daar moet je kijken, daar ligt ze!”
Maar het is natuurlijk realiteit dat zo ongeveer alles wat van belang is, is af te lezen uit de getallen en onderzoeksuitslagen op de schermen en in het digitale dossier. Die zijn nodig voor diagnose en behandelen, en dat is ook mijn eerste belang. Maar toch.
Er schiet me nu een arts te binnen die in augustus, bij de eerste opname, naar mij keek en uitriep: “Wat bent u fit!” Ik was toevallig, toen ik de witte stoet aan zag komen snel mijn bed ingesprongen. Oprecht verbaasd vroeg ik: “Hoezo?” “Uit het dossier had ik het beeld gekregen van een doodzieke vrouw!”
Aha, een blik op de mens kan kennelijk soms belangrijke aanvullende informatie geven.
En wat voor de arts het meest effectief is, is nog niet per definitie voor de patiënt effectief, degene die moet zien te herstellen. Al die keren dat er wél contact was, en ik me gezien en gehoord voelde, zijn ongetwijfeld van groot belang geweest voor de voortgang van mijn herstel. Je gezien en gehoord weten, draagt bij aan een gevoel van veiligheid. Het maakt het makkelijker om de situatie te accepteren en je over te geven aan de onderzoeken en behandelingen. Maar vooral geeft het je in een periode van vergaande afhankelijkheid, je menselijkheid terug, je individualiteit. En dat wakkert het verlangen aan om beter te worden.
Ik voel diepe dankbaarheid voor de mensen die mij dat gegeven hebben. Sommige van hen zal ik niet meer vergeten.