
tekening door buurman Seb
Zoals de stroom van deze rivier een gecompliceerd doolhof wordt en ronddwaalt in donkere dieptes onder de grond, zo ontrolt ook onze werkelijkheid zich langs eindeloos veel vertakkingen in ons binnenste. Eindeloos veel verschillende werkelijkheden zijn met elkaar vermengd, verschillende aftakkingen zijn met elkaar vervlochten, en daaruit ontstaat als een amalgaam de werkelijkheid-datgene wat wij als werkelijkheid beschouwen.
Haruki Murakami in De stad en zijn onvaste muren
Omdat ik binnenkort een nagesprek heb op de IC, ben ik af en toe in gedachten weer terug op mijn kamer daar. Dat wil zeggen, in eerste instantie lag ik op een grote zaal, maar nadat ik tot bewustzijn was gekomen, werd ik verhuisd naar een kamer met raam, om weer aan het dag-nachtritme te wennen. Ik had uitzicht op een plat dak, waar nu en dan een paar kraaien ruziënd opfladderden. In die periode kwam ik rustig aan weer terug op de aarde. Dat wil zeggen dat ik heel slecht hoorde en heel slecht zag, niet kon praten en in het begin ook niet kon bewegen. Toch waren er allerlei sensaties. De schaduw van een gezicht dat over me heen boog. Het gevoel ingestopt te worden, als een kind. Het genot van een warme watergolf door mijn haar. Het vage geluid van een radio. Later, daaraan terugdenkend, kwam een gevoel van vroeger boven: thuis met een griepje op de bank, mijn moeder die bezig is om mij heen, afstoffen, opruimen, terwijl ik doezel onder de dekens: veiligheid.
Toen ik dat later aan iemand vertelde, dat ik me veilig had gevoeld op de IC, was het antwoord: Ja, je hospitaliseert snel in zo’n ziekenhuis! Met terugwerkende kracht wil ik daarop terugzeggen: Nee, het was geen hospitaliseren, je zou het eerder veilige hechting kunnen noemen. Een heel adequate response op de gegeven situatie. Mijn fysieke toestand was als die van een baby. Ik kon niet eens mijn hoofd rechtop houden, mijn arm op of onder het laken leggen, en ik moest voortdurend medische handelingen ondergaan. Wat een geluk dat ik me veilig voelde en erop vertrouwde dat men hier het beste met mij voor had. (Hoewel ik een bloedhekel aan de tillift had, waarin ik op mijn hulpeloost in de lucht bungelde).
Geestelijk wisselde ik tussen verschillende bewustzijnsniveaus, denk ik achteraf. Dat veilige gevoel was er, bijvoorbeeld op een avond toen een verpleegkundige veel moeite deed om muziek voor mij te vinden die ik fijn vond. Toen ik dan eindelijk de tonen van een heel rustig barok(?) stuk hoorde, ging ik, helemaal gelukkig, op in de klanken van de muziek. Of die periode dat ik moest weanen, volgens een strak schema steeds langer weer zelfstandig ging ademen. Dan lag ik urenlang stil en om de tijd door te komen beluisterde ik luisterboeken. Mathijs Deen bijvoorbeeld, de enige schrijver van Waddenthrillers. Met een rustige stem vertelde hij een ingewikkeld verhaal dat ik al snel niet meer kon volgen, maar de beelden die hij opriep zag ik voor me: het Wad, maanlicht over een nachtelijke zee, opkomend tij, onderlopend land, een hond, een scheepswrak. Dat waren momenten van geborgenheid.
Er waren ook momenten van verwarring, zeker in het begin van mijn verblijf op de kamer alleen. Omdat ik geen duidelijk bewustzijn had van mijn conditie, begreep ik niet wat ik deed in een ziekenhuisachtige setting. Een echt ziekenhuis kon het niet zijn, want waarom zou ik daar verblijven? Ik was niet zozeer bang, maar wel verontwaardigd, dat ik daar was beland zonder mijn toestemming. Was ik onderdeel van een reality serie?
Ik schreef al eerder over het gevoel dat mijn lichaam in onderdelen was uiteen geraakt. En dat helen betekende dat ik weer een geheel zou worden, ook in het ervaren van mijn lichaam. Maar zolang er geen bewustzijn is van wat er met het lichaam aan de hand is, moet het verstand proberen een begrijpelijk geheel te maken van de informatiestroom die binnenkomt.
Toch was er tegelijkertijd ook een dieper geestelijk bewustzijn actief. Er waren momenten van diep inzicht. Toen ik me voor het eerst echt vastgehouden voelde, alleen dat, zonder iets te weten of te zien ging een besef door me heen: ‘Mensen willen helpen.’ Dankbaarheid. Op dat moment was ik dus blijkbaar wél gewaar van mijn volkomen hulpeloosheid. Een andere herinnering is die aan het liefdevolle gezicht van een oudere man, dat voor mijn ogen materialiseerde, als een heilige, stralend van liefde. Mijn vader? Nee, het was René. “Wij slepen je er doorheen,” zei hij. ‘Waar doorheen?” dacht ik.