Verder

Weer een eerste keer: slapen in een hotelletje aan de Waalkade in Nijmegen, fietsen en wandelen in de Ooijpolder, geuren van klaver en van pas gemaaid gras, de wind langs je gezicht, het hanteren van de zware E bike, en de vertrouwde cadans van het lopen.

En daarna het gesprek op de Intensive Care afdeling. Vooraf had ik allerlei vragen kunnen stellen, onder andere over mijn conditie bij aankomst op de Spoedeisende Hulp, de diagnose, de reden en duur van mijn coma, over mogelijke restverschijnselen. Roos, de specialistisch IC verpleegkundige, had alles uitgezocht. En ze nam de tijd voor ons. Toch merkte ik dat mijn aandacht in de loop van het gesprek verslapte. Hoe belangrijk was het eigenlijk allemaal? Ja, ik vond het goed om te weten dat de septische shock al vrij snel was gediagnosticeerd, vanwege mijn extreem lage bloeddruk en hoge polsslag. Dat ik in slaap gebracht was omdat dat noodzakelijk was voor de beademing. Maar mijn behoefte om te weten hoe lang ik nu precies in coma was geweest en hoe diep, verminderde al. Ik was een tijdje in een overgangstoestand geweest, maar hoeveel dagen? Sommige dingen doen er misschien niet echt toe. Er zit een gat in mijn tijdlijn, maar of dat nu een dag langer of korter is, wat maakt dat eigenlijk uit. Dat ik gaande het gesprek de antwoorden niet meer zo belangrijk vond (sorry Roos) kwam, denk ik nu, door het gesprek zelf. Omdat uiteindelijk het belangrijkste was dat ik in goede handen was geweest terwijl ik doodziek was. En de bekwaamheid en zorgvuldigheid waarmee de antwoorden op mijn vragen waren uitgezocht, stelden me misschien wel meer gerust, dan de feiten zelf.

Het mooiste moment van het gesprek kwam ná het gesprek. Zoals ik dat ook ken uit mijn coachingspraktijk: bij het bijeenpakken van de spullen, het aantrekken van de jas, het afscheid bij de deur, laat een cliënt ineens nog een stukje cruciale informatie vallen, of maakt een opmerking die onverwachts een diep inzicht laat zien. Zo ook nu. We stonden bij de ingang van de kamer waar ik heb verbleven toen ik al weer bij bewustzijn was. Het raakte me. Roos merkte dat op en verwoordde het: “Ik kan me ook voorstellen dat het dierbaar is.” Ja, dat was het precies. Het had iets dierbaars, maar is dat niet raar, ik was bijna dood! Hoe kan dat dierbaar zijn? Omdat het intens was, ontdekten we al pratend. Je bent daar in een laag van het leven waar je normaal niet bent.  Waar je tot een dieper voelen komt, en ervaart dat de dingen zoveel groter zijn dan je geneigd bent te denken.

Dat je zoveel kunt verdragen, dat je eigen herstelvermogen zo krachtig kan zijn. Dat er zoveel moeite voor je wordt gedaan om je in leven te houden en je te helpen herstellen. En uiteindelijk zo dicht bij de dood te zijn geweest, zo totaal afhankelijk, en tegelijk ook zo dicht bij de kracht van het leven zelf.

Dat is dierbaar en ja, daar kan ik mee verder.   En na deze woorden, diepe tranen.