
Terwijl ik vanmorgen onder de douche het warme water door mijn haren liet spoelen, dacht ik aan IC verpleegkundige Ellen uit Spijkerboor. Een oudere vrouw, die elke ochtend voor dag en dauw op de scooter uit de Zaanstreek naar het ziekenhuis reed. Niet zo praterig als de jongere collega’s, maar ze had wel altijd, als ze langs mijn bed kwam, een ijsblokje voor me. En ijsblokjes, daar deed ik, met mijn voortdurende dorst, een moord voor.
Op een zondag, ongeveer een maand na mijn sepsis en opname op de Intensive Care, ze had het allemaal heel zorgvuldig gepland, reed Ellen mij in de rolstoel de afdeling af. We gingen douchen. Op de IC kan dat niet, dus ze bracht me naar een verpleegafdeling, waar ze een badkamer had gereserveerd. Ze liet me daar op een stoel tegen de muur onder de warme straal zitten. Het water liep over mijn hoofd en schouders en na een maand van pijn, ongemak en onvermogen, genoot ik van dat gevoel. Daarna sloeg ze een dunne witte handdoek om me heen (er waren alleen maar dunne witte handdoeken), droogde me af en bracht me terug.
Nadat ik had uitgerust, kwam ze in de middag weer. We gingen naar de verpleegafdeling waar ik een paar dagen later naar toe overgebracht zou worden. Ik zag er nogal tegenop. De IC was een veilig nest geworden, met 24 uurs bezetting en veel aandacht. En nu ging ik naar een normale verpleegafdeling waar dat allemaal veel minder was, daar werd ik meermaals voor gewaarschuwd. En ik kon nog maar zo weinig. Niet spreken, niet eten of drinken, niet staan of lopen, niet naar het toilet. Ik was afhankelijk en zwak.
We reden eigenlijk alleen maar de gang van de nieuwe afdeling over, dat was genoeg, en namen daarna de lift naar de fysio afdeling helemaal bovenin het gebouw. Het was een indrukwekkend grote zaal met een magnifiek uitzicht over de stad. Daar zou ik elke dag gaan oefenen. Ik zag de brug met twee leggers waartussen je leert lopen en er begon iets hoopvols te borrelen. We gingen weer naar beneden. Het is stil in een ziekenhuis op zondag, de poli’s zijn gesloten, de grote hal beneden leeg en tochtig. Ellen liet me de stilteruimte zien, een kleine kapel. Ik werd overvallen door een intens gevoel van dankbaarheid en ontroering. Ik ben er nog, drong het tot me door. Ik ben er nog.
Tenslotte bracht Ellen me naar buiten. Op het pleintje naast het ziekenhuis stond een grote boom, het laatste blad kleurde rood en geel tegen een strakblauwe lucht. De frisse buitenlucht te voelen bracht de tranen in mijn ogen. De lucht te zien, het leven om me heen te voelen. “Hier doe je het voor,” zei Ellen.
Ja. Daar deed ik het voor.
Ellen. Als je één letter verandert staat er Engel. Ik hoop dat ze er weer zijn, in 2026, voor iedereen die er één nodig heeft, Engelen.