Goedenavond heren!

Op het Centraal Station stapten ze de bus in, drie wat oudere mannen met rood-witte Ajax sjaals om. Ze schoven bij me aan op het bejaardenbankje.

“Spannende wedstrijd, heren?” vroeg ik. Nou nee dus. De F-side was zo tekeer gegaan met vuurwerk, dat de wedstrijd na drie kwartier schorsing werd afgelast. Zwaar balen dus. Ze lieten beelden zien op hun telefoons: jongens in het zwart met bivakmutsen op, een soort vuurwerkstenguns onder de arm, dikke rode mist over het veld. Behoorlijk verontrustend. Maar dit waren geen doorsnee mopperende Amsterdammers, bleek al gauw.

Twee van de mannen waren bevriend, de wedstrijd was een verjaarscadeau. De derde had naast hen op de tribune gestaan. Al pratend kwamen ze er achter dat ze alle drie regelmatig voetbal keken bij hetzelfde café.  Heiligleven heet het. “Ken jij het?” vroegen ze mij. Ik was er wel eens langs gelopen, maar ik ben niet zo’n kroegtijger. “Hij heeft een gedicht geschreven dat bij de opening is voorgelezen”,  zei de grootste man en wees naar zijn vriend.  “Lees het nog eens voor!”

Het was een prachtig gedicht. Het ging over hoeren en boeren, over vallen en opstaan, over het gemodder dat we allemaal kennen en dat leven heet. En het ging er vooral over dat iedereen welkom is. Zoals dat hoort bij een mooi café in de buurt. Het gesprek ging op lichte voet verder: Wat is Heilig leven?  Geloof jij nog? tot de bus de feestelijk verlichte Spaarndammerstraat in reed. “Ik ga er hier uit, dank voor de gezellige ontmoeting,” zei ik, bij de halte Assendelftstraat.  “Waarom ga je niet even mee nog een biertje drinken?”

Ja, waarom niet eigenlijk, dacht ik. Ik ben vlakbij huis, het zijn aardige mannen, we hebben een levendig gesprek en ik kan altijd weggaan als ik dat wil. Dus ja. Ik ben met drie vreemde mannen meegegaan.

Heiligleven bleek een sfeervol café te zijn, met een mooie groene tegelrand langs de muur, allerlei soorten mensen aan tafeltjes en aan de bar. We werden vriendelijk begroet door de barman en het bier smaakte goed. Maar het mooiste is, dat we tijdens dat biertje al snel ontdekten dat we alle vier schrijvers zijn. Jos is de man van het gedicht; de grote man, Beer, heeft een boek geschreven over zijn meervoudig gehandicapte dochter, en Rob heeft een verzameling verhalen over een eeuwenoude Texelse sage gemaakt. En ik, nou ja, mij kennen jullie. En samen lezen we op 9 maart, vanaf acht uur, voor uit eigen werk bij café Heiligleven.