Woolf analyseert de ongelijke positie van mannen en vrouwen scherp en spottend, maar Baldwins woorden zijn gekweld, woedend. Het is niet te verdragen, de onrechtvaardigheid, de vernedering, de uitzichtloosheid die hij ervaart als zwarte tiener in Harlem, New York, jaren dertig.
Het was de bedoeling dat ik vandaag verder zou gaan met Inspiratie (2) over James Baldwin, maar er kwam deze week zoveel koninklijks op mijn pad, dat ik even ben afgeleid.
Natuurlijk was er de kroning van prins Charles op 6 mei j.l. maar vervolgens ontvingen we ook nog vlak voordat wij naar Terschelling vertrokken, de mededeling dat ZKH Willem Alexander en HKH Maxima de dag voor onze aankomst in ons hotel zouden dineren. Wij kregen het aanbod om later in de week hetzelfde menu te bestellen. Onvermijdelijk dat de gedachten dan afdwalen naar koninklijke zaken.
Wat James Baldwin en Virginia Woolf gemeen hebben, is dat hun blik op de werkelijkheid haarscherp is én dat ze die eigen blik uitzonderlijk goed kunnen verwoorden.
Voor beiden bestond die werkelijkheid uit achterstelling: Baldwin als zwarte man in de door en door gesegregeerde VS, Woolf als vrouw, in de jaren 20 van de vorige eeuw. Het bijzondere is dat zij de onrechtvaardigheid en de woede (vooral bij Baldwin) die dat oproept, hebben omgezet in teksten die onomwonden duidelijk maken wat hun omstandigheden zijn, zonder dat daarbij iemand wordt buitengesloten, ook niet de onderdrukker, wit of man.
In haar essay Je eigen kamer (A room of one’s own), dat is geschreven in 1928, laat Woolf prachtig zien hoe het geringe aandeel van vrouwen in de literatuur wordt veroorzaakt door hun achtergestelde en ondergeschikte positie. Als de dagtaak van de gemiddelde huisvrouw erop zit, het schoonmaken, boterhammen smeren en kleren wassen, is er aan het eind van de dag geen resultaat, geen verdienste. Het werk van vrouwen is vluchtig. Ook is er weinig canon om op voort te bouwen, weinig vrouwendenkruimte, En dat hebben wij vrouwelijke schrijvers nodig, zegt Woolf. Vrouwen hebben ruimte nodig om te kunnen schrijven: een eigen ruimte, letterlijk, in de vorm van een kamer, een tafel en een stoel. Geld, zodat er tijd is om te schrijven en te lezen, maar ook om te niksen, te mijmeren, in een eigen vrije denkruimte te zijn. Als aan die voorwaarden wordt voldaan, kunnen vrouwen tot dezelfde prestaties als mannen komen, is haar overtuiging.
Woolfs werk is een krachtige inspiratiebron, ze laat zien dat ze kijkt en nadenkt en haar eigen inzichten verwoordt; daar word ik blij van. En er is nog iets anders. Ze legt de vinger op de absurditeiten van de mannelijke overmacht op een milde, spottende manier. Ze slaat geen boze toon aan, ze toont zich geen slachtoffer. Want schrijft ze: “het is fataal voor een vrouw om ook maar de minste nadruk te leggen op haar klachten; om-zelfs als ze gelijk heeft- eender welke zaak te bepleiten; om op gelijk welke wijze bewust als vrouw te spreken. En ’fataal’ is hier geen stijlfiguur, want al wat geschreven wordt vanuit die bewuste vooringenomenheid, is verdoemd. Het wordt niet meer bevrucht. Hoe briljant en werkzaam, krachtig en meesterlijk het ook mag lijken……in de geest van anderen kan het niet groeien.“
Als ik het citaat zo overtyp lees ik het als vreselijk ouderwets en behoudend. Wij zijn er intussen, honderd jaar later, behoorlijk aan gewend geraakt dat mensen hun persoonlijke frustraties, gevoelens van achtergesteld zijn en onrechtvaardigheid ongecensureerd over elkaar heen storten. Maar Virginia Woolf heeft nagedacht over lezers en schrijvers en de dynamiek tussen hen. Er gebeurt iets als de tekst van de één in het brein van de ander “verder groeit”. En het is de taak van de schrijver om die tekst zó te maken dat die ook daadwerkelijk in andermans hoofd tot leven kan komen. Zodat de schrijver bijdraagt aan het ontwikkelen van bewustzijn, en uiteindelijk ons gezamenlijk bewustzijn over de ‘condition humaine’ groeit.
Ja, de krant is een meneer en die meneer hoort in mijn leven. Daar ben ik wel achter na twee krantloze weken. Het was een ferm besluit om de papieren krant op te zeggen en het was een hartsbesluit om dat weer terug te draaien.
Onlangs las ik het boek Supergaaf, waarin het taalgebruik, lees: de verbale overmacht, van premier Rutte wordt geanalyseerd. Een waardevol boek.
Argumenteren doe je om in een gesprek tot een oplossing te komen, met het liefst zoveel mogelijk ruimte voor je eigen standpunten, licht schrijver Robbert Wigt toe in een korte inleiding over argumentatietheorie. Vervolgens laat hij met voorbeelden uit allerlei politieke debatten en interviews zien hoe Rutte dat doet. De overtuigende taal van Mark Rutte, is de ondertitel van het boek.
Ida Gerhard geeft in onderstaand gedicht een mooie beschrijving van een déjà vu en zette me aan het denken over de slijtage waar dat begrip aan onderhevig is.
Bij het opruimen van de was kwam ik het blauwe doekje tegen dat ik vorige week zo vaardig in de strijd gooide tegen de chaos van rondspattende bloeddruppels. Er ging een golfje gevoel door me heen, dat zich het beste laat beschrijven als een mengeling van vertrouwen, warmte en tederheid. Maar dan in het klein.
Dingen zijn slechts dingen, maar het is soms alsof de gevoelens die we ervoor hebben, de waarde die we er aan hechten, niet van ons zijn, maar eigenschappen van de voorwerpen zelf. Het blauwe doekje is maar gewoon een werkdoekje, maar het voelt als bijzonder door mijn herinnering.
Dit is mijn meest recente suppoostenfoto. Gemaakt in Antwerpen, in het Museum voor Hedendaagse Kunst, januari 2023. Mijn eerste suppoost, waar ik alleen een vage innerlijke foto van bewaar, werkte in het Rijksmuseum, herfst 1965.
Vanmorgen bladerde ik door de digitale editie van het NRC toen ik plotseling de overlijdensadvertentie zag staan van de dochter van oude studievrienden. Mijn hart stond stil. Wij delen al lang niet meer elkaars leven, maar ze hadden mij bij haar geboorte in 1996 nog een kaartje gestuurd, en af en toe kwam er een Kerstkaart met een foto van hun opgroeiende dochtertje.
Volgens de recensies was er dit jaar een ecofeministische editie van de Biennale: The milk of dreams. Voor het eerst waren meer dan de helft van de deelnemende kunstenaars vrouwen, dus veel ruimte voor het vrouwelijk perspectief. Zo’n zinnetje schrijf ik met reserve op, merk ik. Want wat is dat dan, het vrouwelijk perspectief? En kunnen we niet gewoon zorgen dat er altijd en overal sprake is van mannelijk én vrouwelijk perspectief?