Bij mijn eerste ziekenhuis opname in augustus, zei een vriendin: ”Dit zijn tijden voor bescheidenheid en nederigheid.” Ik antwoordde dat ik moeite heb met het woord nederigheid. Het is mij teveel Assepoester. Maar het liet me niet los en later voegde ik er aan toe: ik kan wel iets met dat woord, als het betekent dat er dingen zijn, groter dan ik.
En ja, langs de dood scheren maakte overtuigend duidelijk dat er dingen zijn, groter dan ik. Het zet je met beide voeten op de grond. Wat op een vreemde manier geruststellend en troostrijk is.
Vader en moeder in het midden, tante Cor en ik rechts
Gisteren een mooi gesprek over ouder worden met een vriendin die ook onlangs jarig was. Het opmerkelijke aan ouder worden is dat het vooral een uiterlijk proces is. Van binnen verandert er niet zoveel. Hooguit moet je af en toe iets langer wachten tot het gezochte woord opdoemt. En wat het lichamelijk verouderen betreft, dat voltrekt zich voor de eigen ogen zo langzaam dat daar ook nauwelijks verandering waarneembaar is. Pas wanneer je ineens op een foto een onderkin ziet die er eerst niet was, of je komt wat oude foto’s tegen, is het verschil goed zichtbaar. Het is de buitenwereld die de veroudering weerspiegelt. Doordat mensen U gaan zeggen, of hun zitplaats aanbieden in de tram. Of, zoals mij een tijdje geleden overkwam tijdens een onhandige manoeuvre op de fiets, een aardige jongen die aan me vroeg: “Gaat het wel?”, alsof ik zijn demente oma was. En dat bedoel ik niet vervelend, want mijn ervaring is dat ik vriendelijker wordt behandeld.
In dat gesprek gisteren, werd ik me ervan bewust dat ik, om die buitenwereld voor te zijn, regelmatig maar vast zeg, dat ik oud ben. Bijvoorbeeld toen petekind Iris me uitnodigde om mee te eten met een groep van haar vrienden en ik antwoordde: “Wat moet ik tussen al die leuke jonge mensen?” Haar reactie was duidelijk: “Leuke jonge mensen en leuke oude mensen gaan heel goed met elkaar.” Ik hoef het natuurlijk niet voor te zijn, want de buitenwereld ziet het toch wel.
In de New York Times van vanmorgen stond een artikel met het kopje: “How to change your mindset about aging”. De teneur van het verhaal was dat mensen met een positieve instelling en een optimistische blik ouder worden en gelukkiger zijn. Voor mij is dat zo’n zelfde mededeling als: honden ruiken het wanneer je bang bent. Als je bang bent voor honden en ze ruiken dat aan je, word je alleen maar banger. En als je leest dat optimistische positieve mensen langer leven, vraag je je natuurlijk direct af of je wel vrolijk genoeg bent. Want anders doe je het fout.
In het artikel werd aangeraden om je beeld van verouderen positiever te maken en niet alleen aan beperkingen en toekomstige zorgbehoeften te denken. Zoek eens wat positieve rolmodellen op! Biden schoot me te binnen en allerlei mensen die fit en vrolijk in koud buitenwater zwemmen. En ineens was daar tante Cor. Mijn lieve tante. De zus van mijn moeder. Die innig verdriet had om haar twee dochters die kort na elkaar stierven aan kanker. Elke avond stak ze een kaarsje aan en vertelde ze hen over haar dag en hoe ze hen miste. Tante Cor, die gelukkig ook gezegend was met een paar zeer toegewijde, zorgzame zonen. Die elke avond zelf haar eten klaar maakte. En met wie ik vooral verschrikkelijke lol kon hebben. Zij vond het leuk als ik gek deed en ik ook. Dus ik sprak met mijn namaak boeren accent en zij lag dubbel, we deden alsof we schaatsend door de kamer zwierden, we zongen liedjes, we zaten hand in hand naast elkaar op de bank, praatten en knuffelden. Eén van de laatste dingen die ze tegen mij zei was: Wees gelukkig.
En ja, wat ligt het dichtbij eigenlijk; wat eenvoudig is het. Zolang je contact kunt maken met anderen, warmte voor hen kunt voelen en samen kunt lachen, kun je ver komen met gelukkig oud worden.
Vanochtend, op de fiets, realiseerde ik me dat ik me op een andere manier in de stad beweeg dan normaal. Ik fiets voorzichtiger, ben geduldiger en voel me afstandelijker ten opzichte van wat er op straat om me heen gebeurt; blijkbaar ben ik meer op mezelf betrokken. Ik ben niet, zoals anders, zo snel mogelijk onderweg van het een naar het ander, maar heb één activiteit op een dag, waar ik de tijd voor heb. Het fietsen is momenteel een op zichzelf staande bezigheid. Het is het gevolg van de gezondheidsklachten die ik al weer een tijdje heb.
Het is nu moeilijk voor te stellen, maar tot een jaar of zestig geleden werden meisjes voornamelijk opgevoed om huisvrouw en moeder te worden. Een opleiding werd niet nodig geacht, want hun toekomst lag immers al vast. Dat betekende bijvoorbeeld dat meisjes in het huishouden hielpen en jongens niet. Dat meisjes werden aangespoord behulpzaam, bescheiden en lief te zijn, opdat zij niet zouden ‘overblijven’. De vrouwen van mijn generatie zijn net zo gesocialiseerd als de moeder van Rubialis, de voorzitter van Spaanse voetbalbond, de man van De kus. Zij verzorgde het voorlopig laatste dramatische hoogtepunt in de affaire door zich in een kerk op te sluiten en in hongerstaking te gaan, in protest tegen de bloedige heksenjacht op haar zoon. Hoeveel gevoel voor theater kun je hebben! Helaas moest ze al na twee dagen in een ziekenhuis worden opgenomen. Zij heeft haar zoon ongetwijfeld geleerd dat een man sterk moet zijn, zich niet moet laten kennen, en de aanval moet kiezen als hij in het nauw gedreven wordt.
Wat me weer doet denken aan een paar straatinterviews in Italië, ten tijde van de Bunga bunga party’s van Berlusconi en de beschuldigingen aan zijn adres van seks met een minderjarige. Tot mijn ontsteltenis vonden alle vrouwen die om hun mening over deze kwestie werden gevraagd, dat de enige schuldige aan deze uitspattingen Berlusconi’s vrouw was, want een vrouw moet haar man bij zich zien te houden en als haar dat niet lukt gaat hij het vanzelfsprekend elders zoeken.
Hoe ver wij inmiddels hier in Nederland van deze traditionele moraal verwijderd zijn geraakt, is te lezen in het prachtige boek De omwenteling: of de eeuw van de vrouw van Suzanna Jansen (Het pauperparadijs). Een feest van herkenning. De toekenning van het vrouwenkiesrecht, het beschikbaar komen van anticonceptie, de ‘huisvrouwenziekte’ (vrouwen werden massaal overspannen van verveling en doelloosheid toen het huishouden steeds minder werk vroeg), de grote feministische golf, die voor veel vrouwen een inhaalslag betekende qua scholing en werk (de Moedermavo, de VIDO groepen), het komt allemaal voorbij. En daarmee komt ook in beeld hoe het traditionele model van taakverdeling tussen man en vrouw langzaamaan onttakeld werd.
Maar hoe is het intussen met de mannen? Hebben zij zich opnieuw uit kunnen vinden? Tijdens de feministische golf was er Man Vrouw Maatschappij, er waren mannenpraatgroepen. Maar nu?
Ik las in zowel De Groene Amsterdammer (foto links) als In Vrij Nederland (foto rechts) uitgebreide stukken over dit onderwerp. En de teneur van het verhaal is dat het niet zo goed gaat met onze mannen. Neem alleen al het onderwijs: In de jaren zeventig was het aandeel studerende vrouwen dertig procent, een decennium later veertig procent. En de laatste twintig jaar zijn vrouwen in het hoger onderwijs in de meerderheid. In het stuk van Pepijn Keppel in De Groene gaat het vooral over de persoonlijke ontwikkeling van mannen: in retraites bijeen zijn, gevoelens delen, verzachten. Zoals vrouwen het mannelijke in zich hebben leren omarmen, zo zouden mannen het vrouwelijke in zich moeten leren toestaan. In het stuk in VN van Menno Sedee wordt vooral aan de orde gesteld dat het een maatschappelijk issue is, de problemen van mannen: ze doen het slechter op school, zijn eenzamer, vaker crimineel, verslaafd aan drugs of alcohol, zijn vaker dakloos, gaan eerder dood en plegen vaker zelfmoord. Hij vindt dat het tijd wordt dat deze tendensen als probleem worden onderkend en op de maatschappelijke agenda komen, in plaats van het normaal te vinden, hooliganisme, uitgaansgeweld, jeugdcriminaliteit. Tegelijk waarschuwt hij voor rechtse ressentimenten, het verheerlijken van macho mannen zoals Trump en Bolsonaro, of Andrew Tate, een belangrijk influencer met een criminele staat van dienst. ‘De conservatieve krachten winnen om ons heen’ citeert Sedee de bestuurssocioloog Van Ostaijen. ‘En die zullen er niet per se van geporteerd zijn om dit vraagstuk naar een nieuw niveau te tillen.’
Nee, want dan zal benoemd worden dat hooliganisme niet over mensen gaat, maar voor 95% over mannen. En daar zullen juist degenen zich tegen verzetten die toch al vinden dat vrouwen hen in een hoek drukken. Er moet dus een positief perspectief gevonden worden. Een nieuwe definitie van mannelijkheid. En, eindigt Sedee zijn stuk: Als er sprake is van een ‘mannencrisis’, moeten we die niet overlaten aan conservatievelingen die het liefst de klok terugdraaien. Een progressief antwoord is dan urgent.
Het is natuurlijk wel erg makkelijk om de baas van de Spaanse voetbalbond (Rubiales) van cynisch commentaar te voorzien, maar hij vraagt er zelf om, om maar even in zijn straatje te blijven. Ik wilde het gewoon over het EK vrouwenvoetbal hebben. Hoe blij ik daarvan werd. Ook al heb ik alleen de finale gezien, wat een plezier! Vaders met dochters op de tribune, Engelse (huis?)vrouwen, een scheidsrechter die niet alleen duidelijk en alert floot, maar ook af en toe glimlachte (een glimlachende scheidsrechter, ooit gezien?). Het voetbal zag er levendig en spannend uit, ik zag inzet, mooie passes, spannende aanvallen en goeie verdedigingen. Ik mijmerde nog wat door over wat een enorme inspiratie dit voor jonge meisjes moet zijn, zulke rolmodellen….. Zoals Vera Wiegman, de coach van de Engelse vrouwen, de tegenstanders van de Spaanse in de finale. Zij werd al op het schild gehesen, onder andere door de baas van de Engelse voetbalbond die onderkoeld de vraag stelde: ‘Waarom zou een vrouw niet het mannenelftal kunnen coachen?’ Wel, ik hoop dat ze dat niet doet. Om na al haar geknok en behaalde successen nu nog de strijd aan te gaan met een stel verwende jongetjes die voor miljoenen verhandeld worden, geen goed idee. En ik hoop van harte dat het succes van de vrouwen er niet toe gaat leiden dat ze ook als moderne slaven verkocht zullen gaan worden.
Een breinbreker, ja dat is het wel. De vraag hoe iets uit niets kan ontstaan. Het heelal bijvoorbeeld. Afgelopen zondagavond heb ik aan de tv gekluisterd gekeken naar Zomergasten, Theo Maassen in gesprek met de Vlaamse natuurkundige Thomas Hertog. Af en toe ervaar ik zo’n intense fascinatie, zo met mijn volledige aandacht vastgeklonken zijn. Er gebeurde iets wezenlijks, iets dat heel diep in mij aanvoelt als waar. Wat raakte me zo?
Onlangs stond er een spectaculaire foto in de krant van “de kraamkamer van de sterren”, gemaakt met de James Webb telescoop, de nieuwste, de sterkste. Alsof er mythologische goden op het gloeiend aambeeld licht uit materie slaan. Of andersom, materie uit licht. Fonteinen van kleur spatten uit elkaar tegen het eeuwig donkere.
Toen ik vanmorgen in de spiegel keek, viel me ineens het verschil op tussen het bruin van mijn hoofd en decolleté en de witheid van mijn lichaam daaronder. Het wit lijkt ineens intiemer onder al dat bruin, met zijn associaties van buitenlucht en gezondheid. De grenslijn van dat gebruinde decolleté scheidt het publieke en het privé gedeelte van mijn lichaam, bedacht ik. En, mijmerde ik verder, de grens tussen wat publiek en wat privé is aan het vrouwenlichaam, verschuift nogal eens. Onder invloed van de tijdgeest. Onder invloed van leeftijd.
In ons gezin, jaren zestig, in een kleine woning, heerste preutsheid en privacy. Zo kwam het dat ik voor het eerst in het echt een naakte vrouw zag, toen ik al twintig was. Dat gebeurde in het Olympiabad in Berlijn (W), waar geen badhokjes waren, zoals ik was gewend, maar een gezamenlijke ruimte met banken en kleerhaken erboven. Naast me trok een oudere vrouw haar badpak uit en begon zich rustig af te drogen. Het ontroerde me, het voelde zo gewoon, zo vertrouwd.
Een paar jaar later, midden jaren zeventig, trok ik op het Griekse strand het bovenstukje van mijn bikini uit alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Voor mij en mijn westerse leeftijdsgenoten was dat ook zo. In elk geval wílden we graag dat het de normaalste zaak van de wereld was. Natuurlijk wijdde ik wel een enkele gedachte aan de vraag wat de plaatselijke bevolking ervan zou vinden, maar ja, iedereen deed het, dus ach. En streeploos bruin worden, met juist niet zo’n grenslijn op je bovenlijf, stond toch veel mooier!
Nu, zomer 2023, ligt de grenslijn privé-publiek voor jonge vrouwen halfbils (korte broekjes). Daarbij worden bh-achtige topjes gedragen. En ook nieuw voor dit jaar zijn de zgn. underboobs: zicht op de onderkant van de borsten door het dragen van mini korte, wijde topjes.
Bij de mannen is er niet zoveel veranderd. Onder invloed van klimaatverandering worden er meer korte broeken gedragen, ook op het werk. En de sok is weg uit de sandaal, zelfs uit de sneaker. Een bepaald soort mannen laat ook boven de leren schoen een naakte enkel zien. Daarentegen is de zwembroek aanzienlijk groter geworden. De Speedo, die ik voor de laatste keer in een felgele kleur zag aan het te gebruinde lijf van een bekende Nederlander, is van de stranden verdwenen. Mannen dragen shorts of zwembroeken op bermudalengte.
Voor oudere vrouwen ligt het in de verwachting dat zij steeds minder van zichzelf laten zien. De bovenarmen te rimpelig, het decolleté craquelé, ontsieringen op de benen. Althans zo wordt daar in Nederland over gedacht. Aan de Mediterrané trekt niemand zich iets aan van de aftakeling. Op straat strak in de krul en de nagellak, op het strand in een bikini. Ik zou zeggen: laten we ons bij hen aansluiten. Laten we, als we daar zin in hebben, de wind en de zon op onze huid blijven voelen. En op een mooie zomerdag, op een stil strand, onze kleren uittrekken en naakt de zee inlopen.
Een jaar of tien, vijftien geleden, werkte ik op het stadhuis in Amsterdam. Onze kamer had uitzicht op de Blauwbrug en op een ochtend klonk er vrolijke muziek buiten, getrommel, zang. Toen ik uit het raam keek zag ik een groep mensen staan: vrouwen in traditionele Surinaamse gewaden, kunstig gevouwen doeken op het hoofd, een man met een trommel. Nieuwsgierig liet ik mijn werk in de steek en ging naar beneden. Het bleek te gaan om KetiKoti , de viering van de bevrijding van de slavernij. Een groep van zo’n vijftig, misschien honderd mensen zette zich in beweging naar het Oosterpark voor een herdenking. Ik had er nooit eerder iets over gehoord.
Het idee, dat je kunt transformeren tot een oogverblindende schoonheid waarmee je alle aandacht (en liefde!?) krijgt die je maar wilt, is toch heel verleidelijk?