
Twee totaal verschillende beelden. Op het schilderij van Anne van As, Savage, lijkt de kleur weggetrokken te zijn. De stekelige distels zijn verijsd, bevroren in een donkere nacht, verstild. (Google voor een beter beeld even op op haar naam!)
Het andere beeld, een foto van Ron Entius, getiteld Voorjaar, is aards en levendig. Een blauwe lucht, witte wolken, een wollig schaap, een lam rust veilig bij de moeder.
Deze kaarten pakte ik intuïtief om te versturen aan iemand die me vroeg hoe het met me gaat in deze periode, een jaar na de dood van R. Het is een rare tijd, schrijf ik haar, letterlijk tussen winter en lente in. Soms val ik helemaal stil. Wil ik niet meer. Ben ik alleen maar vreselijk verdrietig. Weet ik niet hoe ik verder moet. Soms ben ik boos en in de weerstand om wat ik allemaal heb verloren. Dan wil ik alleen maar terug in de tijd, terug naar R.
Tegelijk zit ik in een periode waarin er van alles opkomt aan fijne dingen. Nu ik eindelijk eens uit de medische molen ben en weer energie heb, ga ik er op uit. Naar tentoonstellingen, concerten, weer naar de boekenclub, weer buiten sporten. Er gebeuren ook nieuwe dingen, een keer meedoen met een pub quiz, stukjes schrijven voor de nieuwsbrief van het stadsdorp, een voorleesavond met de Aardige mannen. Ik doe een superinteressante HOVO cursus over de situatie in Amerika, en plan kleine vakanties. Ik geniet ervan. Ik word er vrolijk van en energiek.
Rouw voltrekt zich autonoom. Steeds weer word je als door een elastiek teruggetrokken naar het verlies. Naar het grote, grote verlies. Ik bevind me afwisselend in één van de domeinen, die van de de rouw en die van het nieuwe, en eigenlijk is dat vreselijk vermoeiend. Die twee levensgevoelens lijken elkaar uit te sluiten. Als ik in de rouw ben wil ik niet vooruit bewegen, dan wil ik terug in de tijd, naar R. Als ik me verheug op een vakantie wil ik niet voelen dat het zonder R. is. Tot ik deze twee kaarten voor me zag en besefte dat het er allebei is. Het is niet of het één of het ander. Beide werelden zijn in mij aanwezig. Het is prettig om er zo naar te kunnen kijken. Ik besef daardoor dat helen in deze fase betekent om verbinding te zoeken tussen die twee toestanden. Maar dat betekent ook, accepteren dat niets onaangetast blijft, dat alles altijd verandert. En dat is tegelijkertijd heel verdrietig én heel hoopgevend. De opgave is om met geduld en mededogen te kijken naar wat er in me is. Dat verdragen. En intussen die kleine bolletjes die hun groene kopjes opsteken, niet vertrappen.


