
Vandaag heb ik voor het eerst sinds een half jaar een jurk aan. Het geeft me een volwassen gevoel. Weer een stapje in de richting van een normale staat van zijn. Al die tijd was ik in een omgeving waar kleding praktisch moest zijn. Dus op de IC blauwe operatiehemden met drukknoopjes op de schouders, op de verpleegafdeling nachtponnen en daarna dunne truien en broeken met elastiek in de taille. Niemand droeg een rok of een jurk. Misschien de 86-jarige mevrouw met wie ik korte tijd op een kamer lag. Ze zat urenlang bij het raam en probeerde, met een zonnebril op, haar volkomen in elkaar geklitte haren te borstelen. Het zou bij haar gepast hebben.
Gekleed in een makkelijke broek en een grote trui voelde ik me praktisch onzichtbaar. Nu ik langzamerhand mijn lichaam terug krijg en weer zelf de baas word, kan ik tevoorschijn komen. Mijn vorm terugvinden. Zoiets.
In mijn leven nu spelen bijna voortdurend herinneringsbeelden door mijn hoofd. Gisteren, tijdens de eerste keer stoelyoga, terwijl we mediteerden, voelde ik de kwetsbaarheid van mijn handen, ik zag in gedachten de blauwe plekken van het infuusprikken, de donkere vlekken op mijn onderarmen, de bult van de aderontsteking. Wat ik in die tijd onderging omdat ik geen keus had, en bovendien geen energie had om überhaupt een keus te overwegen, gaf me nu een kwetsbaar en verdrietig gevoel. Maar ook bij simpele handelingen echoën herinneringen mee. Als ik mijn tanden sta te poetsen bijvoorbeeld, poetst mijn ik van een paar maanden geleden mee, zittend op de rollator voor de wastafel op mijn kamer in het revalidatiecentrum. Haast elke stap die ik zet wordt verdubbeld met een herinnering. Ik lig in bed, wachtend op de slaap en mijn dubbelgangster ligt op de IC, altijd op haar rug liggend en soms, tegen het doorliggen, met dikke kussens in een zijligging gelegd.
We zullen uit elkaar groeien, mijn dubbelgangster en ik. Door het verstrijken van de tijd, door het ervaren van eerste keren- er was al een eerste keer shoppen!- een eerste keer uit eten!- een eerste keer alleen naar het huis van René fietsen, en hem daar treffen, omgeven door al zijn Renéheid. En de eerste keren zullen weer gewoontes worden. Maar nu nog trekt zij aan mijn mouw, en laat me de stem van René horen zoals hij me voorlas aan mijn bed. En dan zie ik weer de jonge verpleegkundigen in hun groene uniformen, alleen de kleur van hun klompen en de dunne gouden kettinkjes en oorbelletjes laten iets van hun individualiteit zien.
Als ik mijn dubbelgangster vraag hoe ze zich voelt, zegt ze: Goed. En het ging ook goed. Elke stap vooruit was reden voor felle vreugde, betekende herwinnen van levenskracht. Maar het verdriet, de onmacht en het ongeloof om wat er gebeurd is, namelijk dat mijn leven aan stukken lag, voelde ik nauwelijks. Ik heb dat al die tijd simpelweg links laten liggen en was er volledig op gericht om terug te komen, mijn leven opnieuw vast te grijpen. En nu ik daar dichterbij kom, ontdek ik dat ik een schaduw meesleep. Mijn dubbelgangster.