Helen

Bij mijn eerste ziekenhuis opname in augustus, zei een vriendin: ”Dit zijn tijden voor bescheidenheid en nederigheid.”  Ik antwoordde dat ik moeite heb met het woord nederigheid. Het is mij teveel Assepoester. Maar het liet me niet los en later voegde ik er aan toe:  ik kan wel iets met dat woord, als het betekent dat er dingen zijn, groter dan ik.

En ja, langs de dood scheren maakte overtuigend duidelijk dat er dingen zijn, groter dan ik. Het zet je met beide voeten op de grond. Wat op een vreemde manier geruststellend en troostrijk is.

Toen ik uit de coma kwam, voelde het alsof mijn lichaam uit een aantal grote losse delen bestond. In de lengte was ik als het ware in twee helften verdeeld, het achterste gedeelte voelde als ik, het voorste deel niet. Als ik hoestte, met het dichtstbij gelegen deel, probeerde ik de hoest ook effectief te laten zijn in het andere deel. Moeilijk uit te leggen. Het heeft met lichaamsgevoel te maken. Ik kon mezelf wel zíen als één geheel, maar voelde het niet zo. Ik had ook het idee dat ik twee mondholtes had, mijn tanden en kiezen voelden als afgebroken kralen.

Eerder al, in augustus na de eerste ziekenhuisopname, had ik gemerkt dat ik niet meer systematisch mijn aandacht kon sturen door mijn hele lichaam, zoals ik geleerd had bij mindfulness oefeningen. Breng de aandacht naar de linkervoet. Eerst de tenen, dan de bal van de voet, etc.. Het ging niet, mijn aandacht sprong weg. Van enkels naar heupen, naar schouders. En nu was dat vervreemde gevoel nog sterker.

Die losse delen waar mijn lichaam uit bestond, uit elkaar gedreven als aardplaten, moesten weer verbonden raken, alsof ik ze met grote steken aan elkaar moest naaien. Ik moest weer een geheel worden, helen. Heel worden, op een heel ander niveau dan fysiek genezen. Heel worden, innerlijk weer vertrouwd worden met mijn eigen lichaam.

Roos, de verpleegkundig specialist op de IC, zei dat het een reactie kon zijn op het trauma, dat het lichaam innerlijk op afstand wordt gezet om te kunnen overleven. Een interessante gedachte. Het klopte met mijn associatie dat mijn ziel zich tijdens de coma op een andere plaats had bevonden. Het enige beeld dat ik uit de comaperiode heb, is van een donkere rotswand naast me. Het deed denken aan een rotskamer op een berg, waar ik dat jaar geweest was. La chambre du roi. Een stille plek, waar je na een hele smalle kloof op uitkomt. Een paar hoge rotswanden vormen een ruimte, een heilige plek, in de zin van sereniteit en rust. Een plek waar het zonlicht bescheiden tussen de bladeren van de oude bomen speelt, waar een verleden voelbaar is.  Ik zou daar, in alle nederigheid, mijn ziel geborgen weten.