Leven

Terwijl het warme water van de douche over mijn hoofd en schouders stroomt, zie ik in gedachten hoe de tijd zich voor me uit strekt als een groot stil meer, alleen aan de oppervlakte wiegen kleine golfjes in bleke tinten blauw, licht en ruim. Na de operatie afgelopen woensdag en de gelukkige uitslag: toch geen uitzaaiingen, voelde ik me als een luchtig wit wolkje tegen een Mediterraan  blauwe lucht. Nu land ik langzaam in een nevelig stadslandschap, nog beschermd door de dempende werking van morfine. Ik voel me erg gelukkig, op een kalme manier.

Over een paar dagen is het op de kop af een jaar geleden dat me letterlijk de adem werd ontnomen door een septische shock. Ik herinner me nog de ambulancebroeder die me de binnentrap af hielp, op mijn billen, tree voor tree. Hij in een krakend grote uniformjas, ik in een snel aangeschoten trui en broek. Voor de deur van de galerij stond de uitgeklapte brancard. Met enige hulp wist ik erop te klauteren. Ik werd ingesnoerd en naar de lift gereden. Twee buurvrouwen keken me na, de armen om elkaars middel geslagen, een oerbeeld van verslagenheid, als vissersvrouwen die gadeslaan hoe het noodlot aan hun deur voorbij is gegaan, maar op de deur ernaast heeft geklopt. Ook beneden staat een buurvrouw, ze zwaait treurig, het voelt alsof ik mijn eigen begrafenis meemaak. De aankomst op de Spoedeisende hulp en het afscheid van de aardige ambulancebroeder, die mijn hand pakt en stevig drukt, herinner ik me nog. Verder rest er nog een vervormd beeld van een verpleegkundige, en dat is het. Daar word ik uit de tijd getild. Weken later probeer ik te begrijpen waarom ik in een ziekenhuisachtige omgeving ben. Tot er een bekend gezicht voor me opdoemt, en nog één: “Wij slepen je er doorheen” hoor ik. “Waar doorheen?” vraag ik me af.

In het achterliggende jaar ben ik tweemaal vlak langs de dood gescheerd. Tweemaal is me blijvend ingrijpend letsel bespaard gebleven. Ik ben uitgespuugd door de Wallevis en lig op het strand na te hijgen. Nog even, nog even en dan zal ik met voorzichtige vingers mijn leven verder uitpakken. In de wetenschap dat de draden die mij met het leven verbinden zowel vliesdun als oersterk zijn.

Momenteel verschijnt dit log onregelmatig. Als je een mailtje wilt ontvangen wanneer er een nieuw bericht wordt geplaatst, abonneer je dan (gratis).

Lees verder →

Werkelijkheid (3)

In mijn vorige blog heb ik de deur opengezet om te schrijven over het nieuwe ziekteproces waarin ik terechtgekomen ben. Kanker. Sindsdien heb ik geen woord meer opgeschreven. Geen energie. En er is teveel om over te schrijven. En nu ik vlak voor een zware operatie sta, is mijn conclusie dat deze ziekte uiterst vermoeiend is, en dan heb ik het niet over de kwaal zelf.

Lees verder →

Werkelijkheid (2)

afbeelding AI gegenereerd

Ongeveer anderhalf jaar geleden ben ik met deze weblog begonnen, omdat ik graag onder woorden breng wat ik voel, denk, en meemaak. Dat kan gaan over de boeken die ik lees, de merkwaardige ervaringen die je in de grote stad kunt hebben of over wat zich elders in de wereld afspeelt. En soms zijn het observaties van mijn eigen voelen en handelen.

Vorig jaar in oktober werd ik ineens ernstig ziek en lag alles stil. Galblaasinfectie, septische shock, coma, IC, verpleegafdeling, revalidatiecentrum. Na een maandenlange periode van herstel, kwam het schrijven weer op gang en heb ik in retrospectief ervaringen beschreven van het ziekzijn. Het viel me later op, dat ik in één van die stukjes het woord tussenruimte gebruikte.  “In die tussenruimte in mijn leven had ik mooie, diepe gesprekken.” Hoezo tussenruimte, dacht ik bij het herlezen. Is het leven vooral een kwestie van gezond zijn, boeken lezen, mensen zien, tentoonstellingen bekijken, uitjes ondernemen, de natuur ingaan?  En is de tijd die daar niet voor gebruikt kan worden, een soort pitstop, waarin zo snel mogelijk alles weer gefikst wordt zodat je weer terug kunt op de baan? De vraag is: hoort ziekzijn niet bij het leven? Dichteres Esther Jansma zegt in het gedicht Wens: Verlies is ook een vorm van bestaan

Lees verder →

Ziektewinst

Pas kreeg ik een bijna decadent prachtige doos bonbons, rood fluweel, turquoise lint, en heel geschikt om kleine geparfumeerde liefdesbrieven in te bewaren, maar zo liggen de verhoudingen niet met de gevers.  Het leek me de hoogste tijd om eens wat aandacht te besteden aan de “benefits” van ziekzijn. Noemde Freud dat niet ziektewinst?

Lees verder →

Verder

Weer een eerste keer: slapen in een hotelletje aan de Waalkade in Nijmegen, fietsen en wandelen in de Ooijpolder, geuren van klaver en van pas gemaaid gras, de wind langs je gezicht, het hanteren van de zware E bike, en de vertrouwde cadans van het lopen.

Lees verder →

Werkelijkheid

tekening door buurman Seb

Zoals de stroom van deze rivier een gecompliceerd doolhof wordt en ronddwaalt in donkere dieptes onder de grond, zo ontrolt ook onze werkelijkheid zich langs eindeloos veel vertakkingen in ons binnenste. Eindeloos veel verschillende werkelijkheden zijn met elkaar vermengd, verschillende aftakkingen zijn met elkaar vervlochten, en daaruit ontstaat als een amalgaam de werkelijkheid-datgene wat wij als werkelijkheid beschouwen.

Haruki Murakami in De stad en zijn onvaste muren

Omdat ik binnenkort een nagesprek heb op de IC, ben ik af en toe in gedachten weer terug op mijn kamer daar. Dat wil zeggen, in eerste instantie lag ik op een grote zaal, maar nadat ik tot bewustzijn was gekomen, werd ik verhuisd naar een kamer met raam, om weer aan het dag-nachtritme te wennen. Ik had uitzicht op een plat dak, waar nu en dan een paar kraaien ruziënd opfladderden. In die periode kwam ik rustig aan weer terug op de aarde. Dat wil zeggen dat ik heel slecht hoorde en heel slecht zag, niet kon praten en in het begin ook niet kon bewegen. Toch waren er allerlei sensaties. De schaduw van een gezicht dat over me heen boog. Het gevoel ingestopt te worden, als een kind. Het genot van een warme watergolf door mijn haar. Het vage geluid van een radio. Later, daaraan terugdenkend, kwam een gevoel van vroeger boven: thuis met een griepje op de bank, mijn moeder die bezig is om mij heen, afstoffen, opruimen, terwijl ik doezel onder de dekens: veiligheid.

Lees verder →

Contact

Met ver vooruitgestoken hand komt zij op mij toelopen: “Mevrouw de Jonge? Wat fijn om kennis te maken!” Het klinkt alsof ik een langverwachte gast op haar feestje ben. Ik grabbel onhandig mijn jas, tas, krant, stok, handschoenen en thee bij elkaar en volg haar. “U heeft nogal wat meegemaakt,“ zegt ze, terwijl ze op haar computerscherm tuurt. “Ja, ….” “En hoe gaat het nu met u?” “Wel goed eigenlijk…” “Mooi, uit het onderzoek blijkt ook dat het uitstekend met u gaat.”  “Betekent dat, dat ik kan stoppen met de medicijnen?” “Wat slikt u precies? In welke hoeveelheden?” ……… “O, maar dat is een snufje!” “Dus dan kan ik er wel mee stoppen?” “Nee, dat zou ik niet doen, maar wacht, ik ben even bezig, dit moet heel precies gebeuren, het gaat om medicijnen.”

Eenmaal buiten heb ik de pest in. Ik had willen weten of het écht goed gaat. Ik had willen vragen of ik die medicijnen nu écht moet blijven slikken. Maar waar ik vooral de pest over in heb, is dat de overdreven vriendelijkheid en de glimlach van de arts mij overdonderen en haaks staan op het feit dat ze geen contact maakt.

Lees verder →

Helen

Bij mijn eerste ziekenhuis opname in augustus, zei een vriendin: ”Dit zijn tijden voor bescheidenheid en nederigheid.”  Ik antwoordde dat ik moeite heb met het woord nederigheid. Het is mij teveel Assepoester. Maar het liet me niet los en later voegde ik er aan toe:  ik kan wel iets met dat woord, als het betekent dat er dingen zijn, groter dan ik.

En ja, langs de dood scheren maakte overtuigend duidelijk dat er dingen zijn, groter dan ik. Het zet je met beide voeten op de grond. Wat op een vreemde manier geruststellend en troostrijk is.

Lees verder →

Eerste keren

Vandaag heb ik voor het eerst sinds een half jaar een jurk aan. Het geeft me een volwassen gevoel. Weer een stapje in de richting van een normale staat van zijn. Al die tijd was ik in een omgeving waar kleding praktisch moest zijn. Dus op de IC blauwe operatiehemden met drukknoopjes op de schouders, op de verpleegafdeling nachtponnen en daarna dunne truien en broeken met elastiek in de taille. Niemand droeg een rok of een jurk. Misschien de 86-jarige mevrouw met wie ik korte tijd op een kamer lag. Ze zat urenlang bij het raam en probeerde, met een zonnebril op, haar volkomen in elkaar geklitte haren te borstelen. Het zou bij haar gepast hebben.

Gekleed in een makkelijke broek en een grote trui voelde ik me praktisch onzichtbaar. Nu ik langzamerhand mijn lichaam terug krijg en weer zelf de baas word, kan ik tevoorschijn komen. Mijn vorm terugvinden. Zoiets.

Lees verder →