Landschap

Tijdens de meditatie van vanmorgen kwam de vraag om je een landschap voor te stellen. Ik zag het heideveld voor me, waar ik gisteren gelopen heb met een vriend. De bleekpaarse kleur van de hei, het vaalgeel van het pijpjesstro daartussen, het zanderige pad onder mijn schoenen. En terwijl de vriend op googlemaps keek voor het juiste pad, en ik hem ervan probeerde te overtuigen dat ik de weg wist, ontvouwde zich een ruimte in mijn bewustzijn.

In die ruimte, die het heideveld als het ware overkoepelde kwam een weefsel tevoorschijn van herinneringen, die zacht aangestipt werden zoals er, nadat je oog is gewend aan het duister, steeds meer sterren tevoorschijn komen. En net zoals je je bewust kunt zijn van een sterrenhemel en tegelijk met je voeten op de grond kunt staan, liep ik daar voort en kibbelde een beetje over de goede richting terwijl intussen de herinneringen aanlichtten. ‘Hier heb ik vaak gewandeld met mijn moeder, op weg naar Bussum om een ijsje te eten bij de Hema,’ zei ik hardop. Voor mijn geestesoog ging het verder: ‘hier was ik met mijn eerste vriendje, die mij onhandig kuste, liggend tussen de stekelige heideplanten; daar verderop kwamen de tieners bij elkaar, ze hadden muziek uit een draagbaar radiootje en terwijl de meisjes achter de greppel lagen, zaten de jongens op hun bromfietsen, en lieten ze ronken tussen hun benen. Kan het Freudiaanser? En daar verderop kregen mijn broer en ik een ongeluk, op zijn verjaardag. Voor het eerst mocht hij ook brommer rijden en ik zat achterop. Een auto draaide onverwachts het fietspad op en bleef stil staan bij de campingingang.‘ Maar zelfs deze beknopte omschrijvingen van die herinneringen zijn al veel te omvangrijk vergeleken met het oplichten in mijn hoofd van de beelden die de herinneringen vertegenwoordigen. Het waren geen flashbacks, zoals in een roman, waarin een hoofdpersoon, door een toevalligheid ineens een betekenisvol deel van zijn leven terugziet, het was het wakker maken van een herinneringen weefsel dat bij deze plek hoort. Het getrommel van de regen op het tentdak van ons huisje, het licht van de bliksem dat het kamertje kort en plotseling verlichtte, de gootjes langs het pad waarin het regenwater voorbij stroomde, de stapel oude, beduimelde Donald Ducks die we eindeloos herlazen als we binnen zaten, wachtend tot het weer opklaarde. De geur van dennennaalden, het winkeltje dat we uitgroeven in het zand, met uitsparingen voor onze koopwaar: eikeltjes, mos, beukenblaadjes.  “Ja, we kunnen dit pad nemen en ook het volgende, het maakt niet uit, we komen altijd goed uit,” zei ik, in het hier en nu. Deze asfaltweg was er toen niet, en het station werd pas veel later gebouwd. Maar de Gestalt van dit heideveld met zijn oude gekromde solitaire dennen, de nauwelijks waarneembare heuveligheid, de kriskras lopende paden, is intact. En houdt als een net mijn herinneringen in zich gevangen.