
Op de fiets, langs de Waddendijk op Terschelling. Waar ik zo vaak met R. gefietst heb en waar ik nu alleen reed. Daar kwam de vraag op die hij me regelmatig stelde: Voel je je goed?
En ik zei Ja. Ja, ik voel me goed, uit de grond van mijn hart.
Het is niet het goed als in: O, wat zit ik lekker te genieten!
En ook niet als in: fijn hè, dat we weer hier zijn!
Het was een veel dieper en completer gevoel. Een Goed dat uit vele dunne laagjes bestaat die samen bijdragen aan een geheel. Die laagjes, op dat moment, waren divers en verschillend van kleur en stemming.
-het plezier om weer op een E-bike te rijden, de zon over het Wad te zien, een frisse bries te voelen
-het verwachtingsvolle gevoel over de dagen die nog voor me lagen
-de leegte, het gemis van R., waardoor de ruimte om me heen ook leger, weidser leek
-een zeker gevoel van trots en tevredenheid, dat ik na alle gebeurtenissen, toch weer op deze plek ben gekomen
-de vrijheid ven even geen “moeten”, nergens heen te hoeven, de tijd aan mezelf te hebben
-de overgave aan het buitenzijn: omringd zijn door een landschap van grasdijken met lammetjes, waar de zon over het water schittert, en waar de meeuwen in de lucht boven me krijsen
-de pijn van het gat in mijn hart waar R. zat en dat tegelijk diep koesteren
-de vitaliteit van mijn lichaam ervaren, me sterk voelen
-het alleen-zijn, helemaal samenvallen met mezelf, me niet hoeven instellen op anderen, mijn invallen kunnen volgen
-maar ook het alleen zijn in mijn leven nu
-en uiteindelijk de verwondering over het feit dat ik er nog ben, ondanks alles, en dat ik hiér ben
Ja, ik voelde me goed. Geen goed dat tegenover slecht staat, maar een vorm van goed waarin ook het moeilijke opgenomen is. Een goed als: we geven het een acht. Een goed dat tot de bodem gaat.