Ontmoetingen (3)

In Parijs kregen de daklozen een tentje tijdens de Olympische spelen

Nog een beetje dizzy werd ik, na een chirurgische ingreep vorig jaar zomer, een kamer op de verpleegafdeling ingereden. In het bed schuin tegenover me was alleen een bult onder de deken te zien. In de loop van de dag kwam er een hoofd tevoorschijn, grijze haren, baard, ingevallen wangen, slecht gebit. Na een uitgebreide douchebeurt, pleegde mijn kamergenoot een telefoontje en verliet in een trainingspak de kamer, en naar ik vermoedde, het pand. Het voelde een beetje ongemakkelijk, het idee dat ik mogelijk met een junk op één kamer lag. In gedachten ging ik na  welke waardevolle dingen ik om mij heen had en wat als er iets zou missen? Maar, zoals dat gaat in een ziekenhuis, in de loop van de dagen wensten we elkaar goedemorgen, maakten we een praatje, wisselden we informatie uit. Kortom, het ging allemaal best.

Lees verder: Ontmoetingen (3)

Maanden later fietste ik langs een AH in de buurt. En daar zat hij, op de grond bij de ingang. Ik stapte af en begroette hem: “Wij hebben samen in het ziekenhuis gelegen! Hoe gaat het?” Hij herkende me meteen, sprong op en riep: “Mevrouw, u leeft nog!”  en voor ik het wist sloeg hij zijn magere armen om me heen en gaf me een stevige omhelzing. Ik realiseerde me nog net op tijd dat hij “schoon op zijn lijf was” en gaf hem een goeie knuffel terug.

Maar dat was niet de eerste knuffel die ik van een dakloze kreeg. Want een poosje daarvoor, niet zo heel lang na de ziekenhuisopname, strandde ik in de Vijzelstraat. Mijn fiets was van de standaard gewaaid en ik kon (en mocht) hem niet alleen overeind tillen. Ik keek om me heen om hulp, niemand te bekennen, behalve een man, Oost-Europees uiterlijk, bierblikje naast zich, op een muurtje. Een verweesde arbeidsmigrant zo te zien. Ik liep naar hem toe en vroeg of hij me wilde helpen. Hij sprong op en liep met me mee. In een grote zwaai zette hij mijn fiets weer rechtop en nee, ik mocht niet meehelpen. Hij was zo aardig, dat ik voorzichtig vroeg of ik hem wat geld mocht geven. Hij schudde beslist zijn hoofd en wees naar de lucht. Ik begreep dat hij zijn beloning van God of Allah verwachtte. Ik maakte een dankgebaar met mijn handen gevouwen voor mijn borst en hij lachte breeduit. Het ontroerde me. Voor ik het wist omhelsden we elkaar.Toen ik wegfietste en nog eens achterom keek, zwaaide hij me na.